Translate

dinsdag 26 juli 2022

Johan Dijkstra: beschaafde, bescheiden en wijze MVV-icoon


Wat een ontzettend beschaafde man is dat toch. Deze gedachte schoot voortdurend door mijn hoofd. Twee keer interviewde ik de afgelopen jaren Johan Dijkstra, een icoon van de voetbalvereniging MVV. Dat deed ik in het kader van een boek dat ik samen met Paul van Grinsven schreef over twee andere MVV-spelers: Willy Brokamp en Jo Bonfrère. Dijkstra heeft vele jaren met deze mannen gevoetbald en kent hen dus als zijn binnenzak. Voor mij waren die interviews gedenkwaardige momenten. Geen borstklopperij, niet iemand die zichzelf overschreeuwt. En behalve een bescheiden maakte hij een wijze indruk. Zorgvuldig formulerend, niemand beschadigend maar ondertussen de zaken wel benoemend zoals ze zijn.


Het was de eerste echte teleurstelling in mijn nog jonge leven. Als mannetje van zeven jaar zou ik met mijn oom de voetbalwedstrijd MVV - Ajax bezoeken, op 17 januari 1971. Dat feest ging niet door, ik was ziek en sliep de hele dag. Bij het ontwaken hoorde ik dat mijn club met 1-0 had gewonnen. Van het grote Ajax van Johan Cruijff, door een doelpunt van Johan Dijkstra. Van die man had ik nog nooit gehoord, maar vanaf dat moment was hij één van mijn favoriete spelers.


Wie bewaakt Cruijff en scoort ook nog eens een keer?

Als voetballer beleefde Dijkstra zijn doorbraak in die bewuste wedstrijd tegen Ajax. Als we het 23e nummer van de zesde jaargang van Voetbal International (VI) mogen geloven, was hij daarvóór zeer gevoelig voor kritiek. Trainer Knobel zou hem zelfs uit de selectie hebben gezet. Toch zag Knobel juist in Dijkstra de ideale man om Cruijff te schaduwen. Maar de keuze liet hij aan hem zelf over: durfde Dijkstra het aan om voor het zo gevreesde, kritische MVV-publiek te spelen? Hij zal van zijn keuze om de wei in te gaan geen spijt hebben gehad. Datzelfde MVV-publiek noch trainer Knobel kon daarna namelijk nog om hem heen. 
Inzicht, techniek, snelheid en vooral durf waren volgens VI zijn belangrijkste kwaliteiten. Om het wedstrijdverslag te laten volgen door het mooiste compliment dat een voetballer uit die tijd ten deel kon vallen: 'Want welke Cruijff-bewaker komt er doorgaans aan aanvallen -laat staan aan scoren- toe?'.

Zelf herinner ik me vooral de titanengevechten die hij uitvocht met Dick Nanninga, spits van Roda JC en international tijdens het WK Voetbal 1978 in Argentinië. Nanninga was een ijzersterke kopper. Wie herinnert zich niet het doelpunt dat hij in de finale van datzelfde WK scoorde tegen het gastland? Maar bij Dijkstra lag hij, met veel wederzijds getrek en geduw, aan de ketting. Fysieke kracht was volgens mij toch ook één van zijn kwaliteiten.

In mijn archieven vond ik nog een vergeeld plakboek met daarin een foto van zo'n gevecht. Deze mag in dit portret niet ontbreken, ook al is de kwaliteit dan inmiddels niet meer wat hij behoort te zijn. 



Nanninga en Dijkstra, MVV - Roda JC 3-2, 3 november 1974, foto De Limburger


Jaren later scoorde Dijkstra nogmaals het winnende doelpunt tegen Ajax. Weer in een thuiswedstrijd, nu op 30 september 1978. 'Maar dat was een sjraveleer', voegt hij er relativerend aan toe. Wat zo veel wil zeggen als: een via een moeizame sliding en met een beetje mazzel tot stand gekomen doelpunt. En ook op 20 april 1980 was Dijkstra erbij. Inmiddels 33 jaar oud maakte hij als aanvoerder deel uit van het team dat Ajax in het eigen stadion De Meer met 6-3 knock-out sloeg. Hij bewoog zich nog soepel tussen medespelers als Van Marwijk, Schapendonk, Busk en Van der Poppe. Aan Ajax-zijde deden ook niet de minste namen mee: Krol, Schrijvers, Arnesen, Tahamata en Lerby.

De verstokte MVV-supporters kunnen van deze wedstrijd maar geen genoeg krijgen.




In het seizoen 1984 - 1985 beëindigt Dijkstra zijn actieve voetbalcarrière voor MVV. Hij heeft dan 468 wedstrijden en 36 doelpunten op de teller staan. In het stadion de Geusselt is inmiddels een tribune naar hem vernoemd.


Voorovergebogen en met zachte stem

Zijn acceptatie van het verzoek voor een interview verraadt iets bourgondisch. 'OK, we spreken af om twee uur. Een kwartier later mag ook'. De ontvangst bij hem thuis is allerhartelijkst en bevestigt die bourgondische sfeer. Voor een gesprek over voetbal haalt hij maar al te graag een Limburgse vlaai in huis. Licht voorovergebogen en met zachte stem begint hij te praten. Eerst maar eens over zijn eigen leven.

'Ik ben ooit begonnen als machinebankwerker bij de ENCI, de toenmalige cementfabriek hier in Maastricht. Maar ik kon niet met mijn baas overweg. En omdat ik niet mijn hele leven afhankelijk wilde zijn van een baas, ben ik in Maastricht een sportzaak begonnen. Die had ik naast mijn werk als profvoetballer bij MVV.

Tijdens de marathon van New York kwam ik in aanraking met het merk Foot Locker. Dat moment was voor mij een eye-opener. Ik ben toen overgestapt naar de verkoop van alléén sportschoenen. Dus geen andere sportartikelen meer. Die beslissing heeft me geen windeieren gelegd, zakelijk heb ik daardoor goed geboerd. Ook omdat ik op tijd een aantal panden heb verkocht, vóór de grote leegstand.'

Als het over voetbal gaat formuleert hij behoedzaam. Genuanceerd ook. Waarom is deze man geen analyticus op radio of televisie?, zo vraag ik me af. Bij de NOS of Ziggo zou hij niet misstaan. Hij steekt zijn waardering voor Brokamp en Bonfrère niet onder stoelen of banken. Brokamp is de beste voetballer met wie hij ooit heeft gespeeld. En Bonfrère wist zelf niet hoe goed hij was. Toch durft hij ook kritisch te zijn. 'Beiden waren lui, trainden met de handrem erop. Ze verdedigden eigenlijk niet mee, maar deden wel alsof'.

In zijn beschouwingen keert één gedachte telkens terug: ken je plaats. Beide vedetten mochten dan wel lui zijn, zij haalden wel de punten en dus de premies voor het hele elftal binnen. Maak je dan ook ondergeschikt aan die twee, was zijn motto. 'Ik kende mijn positie als waterdrager in het elftal.'


Vooral dankbaar

Hij heeft inmiddels de 75-jarige leeftijd bereikt, het leven heeft hem niet onberoerd gelaten. Het plotseling en onbegrijpelijk ontvallen van een familielid heeft er stevig ingehakt. Toch is hem dat niet aan te zien. Hij toont allerminst getekend, mooie grijze haardos, afgetraind uiterlijk. Hij sport nog steeds met mate, hoewel hij het voetbal zelf heeft afgezworen. 'Wel stap ik nog regelmatig op de racefiets.' Verder onderhoudt hij zijn conditie met werken in de tuin. Deze is 2300 m2 groot, gelegen aan de rivier de Jeker op één van de mooiste plekken in Maastricht. Bij zijn huis dat hij met eigen handen heeft gebouwd.

In alles klinkt dankbaarheid door. 'Net als bij Brokamp en Bonfrère had er als voetballer voor mij misschien meer ingezeten. Was ik nu bijvoorbeeld echt de mindere van wijlen Barry Hulshoff? Een zeer sympathieke man die met Ajax de absolute wereldtop heeft bereikt. Later heeft hij nog bij MVV gespeeld. Daar zag ik ook zijn beperkingen. Barry heeft geluk gehad dat hij op het juiste moment met sterren als Cruijff en Keizer heeft gespeeld. Zo weet ik ook dat PSV ooit belangstelling voor mij heeft gehad. Maar je kwam als voetballer in die tijd niet zo maar weg. Als de club je niet wilde laten gaan, werd een vertrek heel lastig. Ik klaag daar niet over, ik ben tevreden met en dankbaar voor wat het voetbal mij heeft gebracht.' 

Behalve zijn dankbaarheid springt ook zijn relativeringsvermogen in mijn oog. 'Als oud-voetballer van MVV word ik nog wel eens herkend in de binnenstad van Maastricht. "Wat ken jij veel mensen, pap" zeggen mijn dochters dan. Voor wat het waard is, natuurlijk.'  

Tijdens beide interviews sprak ik met een beschaafde man. Een man met een grote clubliefde, hij adviseert nog steeds over de jeugdopleiding. Ook bij het afscheid toonde hij zich bourgondisch. 'Als je nog eens in de buurt bent, dan kom je maar gewoon langs. Je hoeft niet aan te bellen, hoor. Je komt maar gewoon achterom'.




Tijdens boekpresentatie 'Brokamp en Bonfrère, een magisch en mysterieus duo', 31 maart 2022, 
foto Laurens Bouvrie


Paul Strijp, 25 juli 2022



donderdag 7 januari 2021

Frits Strijp, mijn vader, was een epicurist


Leven met een tekort, zoals hij zelf zei. Wat hij daarmee bedoelde: leven in soberheid. Dat was een zeer belangrijk motief voor mijn vader. Zoals zijn wil om zijn kinderen te laten studeren dat ook was. Zonder zich dat te realiseren heeft hij geleefd in de traditie van de Griekse filosoof Epicurus. De essentie daarvan? Beperk je tot de allernoodzakelijkste goederen, geniet van alles wat je met je zintuigen kunt waarnemen, vermijd overdreven consumptie maar zorg wel voor een minimum aan bestaansmiddelen.






De eindjes aan elkaar knopen

Geboren in 1933 groeide mijn vader op in een tijdperk van grote  economische crisis. Zijn geboortestad Maastricht kende in die jaren een hoge werkloosheid. Zijn eigen vader had wel werk. Eerst bij de Sphinx, later bij een plaatselijke verffabriek. Als hij hem daar opzocht baden ze samen een rozenkrans. Dat zorgde voor een sterke religieuze band tussen beiden. Over de arbeidsomstandigheden vertelde mijn vader mij ooit het volgende.


"Aan het einde van de dag waren de arbeiders net papegaaien: zij zagen letterlijk groen en blauw van de verf. De bassins met zuur hadden geen omheining. Als daar iemand was ingevallen was hij opgelost zonder dat dat was opgemerkt. Ook was er veel stof. Mijn vader verdiende net genoeg om zijn gezin te kunnen onderhouden. Pal naast de fabriek was een volkstuin. 's Avonds liep hij met een zak aardappelen over zijn schouders naar huis."

 

Zijn moeder knoopte elke dag weer de eindjes aan elkaar.

"De trein uit België liet soms keukenresten achter op het spoor. Daar zaten ook bruikbare, maar zeer hete kolen bij. Samen met mijn zus raapte ik die op. Mijn moeder was daar blij mee, kon ze weer een paar dagen stoken." 

 

Deze ervaringen hebben mijn vader gevormd. Zij hebben de basis gelegd voor zijn soberheid. Voor zijn voorkeur om -zoals hij dat zelf zei- te leven met een tekort. Liever dat dan leven in overvloed.


Geen geld

Een andere bepalende factor in zijn leven was de onmogelijkheid om te studeren. Zijn ouders hadden geen geld om dat te financieren. Bovendien vonden ze dat mijn vader met het MULO-diploma al genoeg kansen had gekregen. HBS of Hotelvakschool zat er niet in. Mijn vader had dan ook geen keuze: hij ging werken en trad in dienst bij de Eerste Nederlandse Cement Industrie (ENCI). Hoewel hij kan terugzien op een dienstverband van meer dan veertig jaar bij deze werkgever, zijn de sociale omstandigheden van zijn jeugd hem blijven achtervolgen.

"Dat gevoel van gemis komt pas later. Dan realiseer je je hoezeer de omstandigheden de schoolkeuze van een kind bepalen. Ik heb mijn eigen kinderen dan ook wel altijd alle mogelijkheden om te studeren willen geven."

 

Ervaringen van een zoon

Soberheid en alle kansen voor zijn kinderen om te studeren. Hoe heb ik als zijn oudste zoon deze twee levensmotieven van mijn vader ervaren? De volgende ontboezeming vond ik tekenend.

"Tegenwoordig maken mensen zich druk om exotische maaltijden, vroeger kreeg je droog brood. Als je bofte zat er stroop op. Ik geef nooit commentaar op die moderne levenswijze, maar ik ben altijd sober gebleven (...) Kleren draag ik altijd op. Ben je met méér kleding nu werkelijk méér mens? Als ik nieuwe kleren koop zijn er diverse modes gepasseerd. Ik wil mij hoeden voor overdrijven, stel mij altijd de vraag: wat kan nog gerepareerd of hersteld worden?"

 

Als hij hoorde dat iemand twee auto's bezat verzuchtte hij: je kunt  toch maar in één auto tegelijk rijden? Hij trok bleek weg als er na een maaltijd eten over was dat niet bewaard kon worden. Ik zie hem nog steeds voor me in een groot Frans vakantiehuis. Tranen in zijn ogen. Na een al te copieuze maaltijd lagen nog grote hoeveelheden vlees en vis op de schalen. En ik zie ook nog steeds mijn voetbalschoenen voor me. De kicksen van mijn jeugd. Als die versleten waren nam hij ze onder handen. Voor een opknapbeurt. Hij plakte dan grote stukken leer op de punten van de schoen. Die vielen wel op bij mijn teamgenoten. "Zeker nieuwe schoenen gekocht?"


Dan die kansen voor zijn kinderen om te studeren. Ik herinner mij dat ik als zestienjarige puber een keer midden in de nacht thuiskwam. Het zal een uurtje of half vier zijn geweest. Op de vraag van mijn moeder de volgende ochtend hoe laat ik het eigenlijk had gemaakt, gaf hij het antwoord. "Half twaalf ongeveer" zei hij met een stalen gezicht. Voordat ik iets kon zeggen had hij het al voor me opgenomen. Waarom? Omdat mijn rapportcijfers deugden. Een jaar later was dat niet het geval. Dan was hij streng, onverbiddelijk. Want dat was de deal. Zolang je met goede cijfers thuiskwam kon je je gang gaan. Als je verzaakte had je een zware aan hem. Hij bood zijn kinderen de kansen die hij zelf niet gekregen had. Maar hij verwachtte wel een tegenprestatie.


In de traditie van Epicurus

Enige tijd geleden maakte ik kennis met het werk van de Griekse filosoof Epicurus (341 - 270 vóór Christus). Dit leerde mij dat mijn vader altijd in zijn geest geleefd heeft. Zonder het zelf te weten. Want over filosofen had hij het nooit.




Beperk je tot de allernoodzakelijkste goederen, stelde Epicurus. En geniet van alles wat je met je zintuigen kunt waarnemen. Dat deed mijn vader volop. Hij hield van de zon, van warmte. Op zaterdagmiddag zat hij uren in een warm bad. Als dat na anderhalf uur was afgekoeld liet hij de kuip opnieuw vollopen. Meer had hij niet nodig. Ook herinner ik me een voetbalwedstrijd in een zonovergoten stadion. Hij was toen al in een redelijk vergevorderd stadium van dementie. Van de wedstrijd kreeg hij niet veel mee. Maar genoten heeft hij des te meer.

Epicurus verfoeide overdreven consumptie. Hij zou samen met mijn vader onpasselijk zijn geworden in dat Franse vakantiehuis. En zijn advies om te zorgen voor een minimum aan bestaansmiddelen was aan mijn vader zeker besteed. Hij deed niets liever dan de spaarbank bezoeken. Geld op zijn spaarbankboekje zetten of op onze zilvervlootrekening. Van een negatieve spaarrente zou hij niets begrepen hebben.


Bij zijn overlijden

Mijn vader overleed op 27 december 2020. Op 87-jarige leeftijd. De gedachte dat hij een epicurist pur sang was bood mij troost. En maakte mij ook wel trots.


Paul Strijp, 8 januari 2021

zondag 1 november 2020

Guillaume Heemels, levenskunstenaar in de geest van Spinoza


Jazeker, Guillaume was een levensgenieter. Frankrijk, wijn, goed eten. En ondertussen met elkaar vertellen, zoals hij dat noemde. Maar Guillaume was méér dan dat. Hij was een levenskunstenaar. In de geest van de zeventiende-eeuwse filosoof Spinoza. Je kijkt op je leven terug en je ziet dat het goed was. Ondanks het lijden en de tegenslagen. Aan het einde van zijn leven stemde Guillaume in met datzelfde leven.



Augustus 1980. Als zeventienjarige jongen toog ik naar Amsterdam. Om te gaan studeren. In Amsterdam woonde Jomie, een buurjongen van twee huizen verder. Jomie, zijn roepnaam, was elf jaar ouder. Ik kende hem een beetje. Van een enkele keer tafeltennis bij ons in de garage. Die partijtjes duurden tot 's avonds laat. De garage was schaars verlicht, met een enkele looplamp van mijn vader. Op de tast moest je het balletje maar zien te raken. Jomie maakte indruk. Technisch zeer bedreven. En fanatiek. Toen hij tijdens zo'n avond van mijn aanstaande vertrek naar Amsterdam hoorde bood hij direct zijn hulp aan. Jomie ontfermde zich zogezegd over mij. Een geruststelling voor mijn moeder. Een zoon naar het Amsterdam van de krakersrellen, dat was toch niet niks.

En zo geschiedde. Wat volgde was een veertigjarige vriendschap. Met meer en minder intensieve perioden. Maar toch, een vriendschap. Een poging tot een karakterschets.


Het goede gesprek

Guillaume had in die jaren een Opel Kadett. Een groene. Zoals echte Limburgers betaamt gingen we in het weekend naar huis. Niet elk weekend, gemiddeld eens per veertien dagen. In die Opel ontvouwde zich voor mij een nieuwe wereld. De wereld van literatuur, filosofie, kookkunst, politiek, sport, muziek. Om maar eens een paar gebieden te noemen. Zelf was ik op die leeftijd eigenlijk alleen geïnteresseerd in voetbal. Als een ware 'homo universalis' opende hij voor mij vensters. En liet zien hoe boeiend die werelden wel niet waren. Guillaume legde de basis voor mijn latere generalistische belangstelling. Zijn invloed op mijn ontwikkeling is groot geweest.


Maar die gesprekken gingen verder. Guillaume debiteerde vaak levenswijsheden. "Vaar niet met een motorboot tegen de stroom in, Paul. Maar laat je op een luchtbed meenemen door de krachten waaraan je bloot staat". Die vond ik prachtig. Als adolescent was ik daar ook wel aan toe. Veel weerwoord gaf ik hem niet, ik consumeerde gulzig zijn inzichten. Af en toe zat daar ook wat gemopper tussen. Op 'de Hollenders' bijvoorbeeld. Met hen had hij een haat-liefde-verhouding. Stiekem had hij bewondering voor hun zakelijkheid. Daar kon hij zich ook wel aan laven. Maar op hetzelfde moment vond hij die zakelijke houding kil en afstandelijk. In zijn hart was en bleef Guillaume een Limburger. Hij miste de warmte in Holland. Na een aantal jaren vestigde hij zich weer in Maastricht en later in de omstreken daarvan. Hij zou er blijven tot zijn dood.


De gulle lach

Bulderen van het lachen kon hij. Zoals die ene keer in 1984. Tijdens een fietsvakantie naar de Elzas belandden we in een weiland tegen een berghelling. Nergens meer een fietspad te bekennen. Hoe lang we met de fiets op de schouders door het gras hebben gelopen weet ik niet meer. Wel dat het lang was. Op de achtergrond was alleen het schelle geluid van koeienbellen te horen. Daar zag Guillaume op enig moment het grappige wel van in. En toen was er geen houden meer aan. Zijn uitbundige lach ging met hem op de loop. Jaren later had hij het er nog over. Dat gold ook voor die keer dat hij mijn studentenkamer ging behangen. Ik stond erbij en keek ernaar. Guillaume deed het werk. Toen ik een stap achteruit moest doen om hem niet in de weg te lopen, plofte ik met beide voeten in het behangplaksel. Eenzelfde onbedaarlijke lach maakte zich van hem meester.


Zijn lach kon ook subtiel zijn. Die ging dan gepaard met glinsterende ogen. Hij genoot van de fijngevoelige humor waarmee het leven soms doorspekt is. Ik vergeet nooit zijn glimlach achter het stuur van diezelfde Opel Kadett. Op een parkeerplaats langs de A2 stonden twee nonnen te liften. Het leed voor Guillaume geen enkele twijfel dat wij hun een lift zouden aanbieden. Twee nonnen met twee studenten. In een Opel Kadett. Het beeld hield het midden tussen een surrealistisch schilderij en een absurdistische film. Op dat soort momenten vielen Guillaume en zijn lach samen. Guillaume was zijn lach.


Gezondheid en sport

De duursporten zwemmen, fietsen en hardlopen. Een enkele keer gecombineerd tot een kwart triatlon. De racketsporten tafeltennis, badminton en squash. En verder biljarten, met een goed glas wijn uiteraard. Zie hier het rijtje sporten dat ik met Guillaume beoefend heb. Schaken hoort daar niet in thuis. Een passie van hem waarin we elkaar nooit gevonden hebben. Er zaten grenzen aan mijn veelzijdigheid, niet aan de zijne. Zijn belangstelling voor alles wat met gezondheid en sport te maken had leidde op latere leeftijd tot een aantal diploma's voor sportmasseur. Die ontwikkeling heb ik vanaf de zijlijn gevolgd. Mijn indruk is dat hij hier vol in is opgegaan. Met een praktijk aan huis. Tijdens zijn uitvaart bleek mij dat hij hiermee vriendschappen heeft opgebouwd. Dat was kenmerkend voor hem. Als hij iets deed bond hij mensen aan zich.



Wel te doen en blij te wezen

Jazeker, Guillaume was dus een levensgenieter. Maar hij was méér dan dat. Hij was een levenskunstenaar. En wel in de geest van de beroemde Nederlandse filosoof Baruch Spinoza (1632 - 1677). Guillaume zelf heb ik nooit over hem horen praten, hij had het vooral over de Franse existentialist Jean-Paul Sartre. Eén van de leerstukken van Spinoza was de bene agere et laetari. Vertaald als wel te doen en blij te wezen. Wel te doen staat bij Spinoza voor goed, flink en krachtig handelen. Voor medelijden had hij geen plaats, dat vond Spinoza maar slecht en nutteloos. Deze traditie omarmt het leven. Je kijkt op je leven terug en je zegt: "Ondanks alle tegenslagen en het lijden was mijn leven de moeite waard". Kortom: een Spinozistisch levenskunstenaar geeft blijk van een fundamentele instemming met het leven.


Dat is precies wat Guillaume liet zien. Ga maar na. Het lijden is hem niet bespaard gebleven. Gezondheid en sport hebben niet kunnen beletten dat een ongeneeslijke ziekte hem tot overgave dwong. Eerder streed hij al tegen ander lichamelijk ongemak. Persoonlijk heb ik hem nooit hierover horen klagen. Nooit. Voor mij heeft hij zijn lijden bewonderenswaardig gedragen. Maar de ultieme uitdrukking van zijn Spinozistische levenshouding viel te lezen op zijn overlijdenskaart. Ik heb in mijn leven alles gedaan, wat ik wilde.


Blijvende invloed

Fijne paasdagen met de hoop dat we elkaar weer eens echt kunnen ontmoeten. Ik laat de eieren gewoon liggen. Het laatste persoonlijke bericht dat ik van hem kreeg. De coronacrisis stond deze ontmoeting in de weg. Met veel respect en dankbaarheid gedenk ik Guillaume. Op mij heeft hij een blijvende invloed gehad.


Paul Strijp Diemen, 31 oktober 2020

woensdag 26 september 2018

Riet Kletter, lieve schoonmoeder van de drie O's


"Door Nanette leerde ik dat je het leven ook kunt nemen zoals het is, dat je niet bitter hoeft te worden als het tegenzit, maar dat je er genoegen aan kunt beleven als mensen mooi bij elkaar zijn. Het gaat in het leven om het vergaren van kennis en wijsheid, dacht ik altijd, maar dankzij mijn zusje kwam ik erachter dat je het leven ook kunt leven zonder één boek te lezen".

Deze woorden zijn van Xandra Schutte, voormalig hoofdredacteur van het blad Vrij Nederland. Zij stonden in de Volkskrant van 5 juni 2004, alweer enige tijd geleden dus. Toen ik ze las, heb ik ze meteen opgeschreven. Zo mooi. Ik noteerde ze niet alleen vanwege de schoonheid en de levenswijsheid die erachter schuil gingen, ik had er ook een andere reden voor. Waar Schutte haar overleden zus wilde herdenken, riepen deze woorden voor mij een zeer sterke associatie op met mijn schoonmoeder. In zekere zin leeft de overleden Nanette Schutte in haar voort. Met die kanttekening dat mijn schoonmoeder met haar tachtig jaar nog steeds in het volle leven staat en wel boeken leest. Maar voor het overige gaat de vergelijking helemaal op.






Riet Kletter. Mijn schoonmoeder. De allerliefste schoonmoeder, al meer dan dertig jaar. Moeder van twee zoons en één dochter en oma van acht kleinkinderen. Als kind opgegroeid in Jutphaas bij Nieuwegein in een gezin met zes broers en twee zussen. Als volwassen vrouw haar leven voornamelijk doorgebracht in Maastricht. Eerst met haar inmiddels overleden man Anton, de laatste zeventien jaar met haar levenspartner Ley. De persoonlijkheid van Riet kan het best worden omschreven met de drie O's: optimistisch, ongecompliceerd, onvermoeibaar.


Wil je nog een kopje koffie, jongen?

Als tiener kwam ik al veel bij de familie Kletter over de vloer. Lange tijd vanwege mijn vriendschap met de oudste zoon Arjan, later ook omdat ik de dochter in toenemende mate interessant begon te vinden. Al die jaren trof ik in dat gezin een zieke vader. Een vader die overdag niet naar kantoor of fabriek ging, maar thuis was. En er dan ook echt was, voor zijn gezin. Dat bestierde hij samen met zijn vrouw Riet. Ondanks vaders ziekte was hun huis niet zelden een zoete inval van vriendjes en vriendinnetjes. Tafeltennis, quizzen, gewoon met elkaar praten en discussie voeren. Je rook de gastvrijheid in huize Kletter. Maar wat misschien nog wel belangrijker was: je voelde ook hoe vader en moeder een fundament aan hun kinderen meegaven. Een fundament van vertrouwen. Mijn vrouw memoreert nog vaak hoeveel zelfvertrouwen zij ook nu nog ontleent aan een lijfspreuk in hun gezin: het is goed zoals je het doet, meisje! Kortom: jij mag er wezen zoals je bent. Jouw waarde als mens hangt niet af van wat je kunt of presteert, maar jij bent ook los daarvan de moeite waard.

Vader Anton was, sigaartje in en drankje bij de hand, de spirituele kracht. Moeder Riet was de motor. Zij hield het gezin draaiend, ook en vooral tijdens de perioden dat vader in het ziekenhuis opgenomen was. Dat moet loodzwaar zijn geweest. Zowel lichamelijk als geestelijk. Maar dat merkte je nooit. "Wil je nog een kopje koffie, jongen?", vroeg ze dan. In die vraag zat eigenlijk alles, die vraag symboliseerde voor mij de kracht van Riet. Hoeveel andere mensen zouden onder dergelijke omstandigheden niet met recht hebben gezegd: "De koffie staat in de keuken, je kunt gerust een kopje nemen"? Ik herinner mij dat veel mensen in Maastricht indertijd ook met bewondering over die kracht spraken. Hoe houdt ze het vol, hoe blijft ze zo optimistisch? Het antwoord op die vraag moet voor haar ongeveer als volgt luiden: het leven is nu eenmaal de moeite waard, dan kun je er maar beter iets van maken, toch?

Anton Kletter was bij leven al een legende, dat geldt in even sterke mate voor onze Riet. Voor mij mag zij heilig verklaard worden. Een heilige voor wie de stad Maastricht ergens een klein, mooi beeldje laat plaatsen. In het stadspark bijvoorbeeld.


Neen meisje, aan de dood denk ik nu echt nooit

Bij dat optimisme hoort ook een zekere ongecompliceerdheid. Het leven is soms verdrietig, zeker, maar je moet het nu ook weer niet al te ingewikkeld maken. "Neen meisje, aan de dood denk ik nu echt nooit", verzekerde zij mijn vrouw onlangs nog. Spiritualiteit of diepgravende levensvraagstukken zijn niet aan haar besteed. Misschien is die ongecompliceerdheid ook wel een voorwaarde voor dat optimisme van haar. Maar laten we waken voor één misverstand: ongecompliceerdheid betekent géénszins dat Riet niet weet wat er in de wereld te koop is. Integendeel. Zij leest de krant, luistert naar de radio en kijkt televisie, leest boeken. Politiek maak je haar niets wijs. Vroeger een uitgesproken adept van het CDA en stiekem een beetje verliefd op voorman Ruud Lubbers met zijn baardstoppels, tegenwoordig iets minder beginselvast. Het boek Wees onzichtbaar van Murat Isik had ze in no time verslonden. Met die literaire kennis pronkt ze niet. "Prachtig, prachtig!" hoor je zeggen als je vraagt wat ze ervan vond.

Wat betekent die ongecompliceerdheid dan wel? Allereerst -voor zover ik dat kan nagaan- de afwezigheid van een angst voor ziekte. Ondanks de jarenlange ziekte van haar man en een medisch ongemak dat zij zelf enige jaren geleden overwonnen heeft, zal ze van een verslechterende gezondheid niet wakker liggen. Het leven komt zoals het komt. Waar ze wel slapeloze nachten van kan hebben, is angst voor of bezorgdheid om de kinderen en kleinkinderen. Die vormen haar hoogste goed, die zijn haar alles. Haar grootste nachtmerrie? Stel, je zou blijvende ruzie met die kroost hebben. In sommige families hoor je dat weleens. Dat zou ze niet overleven, dan zou ze nog liever dood zijn.

De ongecompliceerdheid van Riet betekent ook dat ze soms een tikkeltje ondeugend is. Klassiek is het verhaal dat ze vroeger een keer onbedaarlijk en ongegeneerd moest lachen toen ze iemand onderuit zag gaan op een glad trottoir. Niet waar die persoon bij was natuurlijk, maar gewoon schaterlachen vanuit de huiskamer. Kijk, dat hoort dan ook bij het leven. Mag eigenlijk niet, lachen om andermans leed, maar ja, dat overvalt je dan wel dus kun je er ook maar beter aan toegeven. Toch?


Riet doet nooit een dutje 

Carnavalszondag in café de Perroen op het Vrijthof in Maastricht. Een uurtje of zeven 's avonds, gaat u er zelf eens een keer kijken. Deinende en hossende massa's van vooral jonge mensen. Harde muziek, zeer harde muziek. De drank vloeit rijkelijk. Maastricht vermaakt zich en goeijt ziech d'r door. Inmiddels is het een vertrouwd ritueel: temidden van die massa's bewegen zich ook twee wat oudere mensen. Riet en Ley. Niet als twee grijze muizen die aan de zijlijn staan te kijken, neen, als twee carnavalsvierders die volop meehossen en niet onderdoen voor de jongelui. Het voornemen om het de komende jaren met carnaval iets rustiger aan te doen -wat uit de mond van een tachtigjarige toch niet ongeloofwaardig zou klinken- heb ik nog niet gehoord.  

Riet heeft een erfelijk gestel zonder genen die aan slijtage onderhevig zijn. Haar lichaam laat geen verouderingsprocessen toe. Hoe het kan weet ik niet, maar zij is nooit moe. De woorden "Ik ben moe, ik ga even een halfuurtje op bed liggen" heb ik haar in al die jaren werkelijk nog nooit horen uitspreken. Een dutje doet zij nooit, Riet is altijd fit. Natuurlijk, de jaren laten ook bij haar wel enige sporen na, maar die zijn minimaal. Zelfs na een lange treinreis staat zij kwiek voor de deur. Als de kleinkinderen dat willen, speelt zij spelletjes met hen. Kaarten, rummikub, desnoods tot één uur 's nachts. De volgende ochtend roept zij ons vrolijk uit bed. "Het ontbijtje staat klaar". En als we dan aan tafel zitten: vertellen, vertellen. Verhalen, verhalen. Geen detail blijft onvermeld. Riet voert het woord. Een buitenstaander zou denken dat de kinderen en kleinkinderen achter de geraniums zitten en van Riet te horen krijgen wat er in de wereld allemaal gaande is.


Mooi bij elkaar zijn. In de geest van Nanette Schutte. Dat zij Riet nog vele jaren gegund.


Paul Strijp, 8 augustus 2018

vrijdag 11 augustus 2017

Michiel de Looze: snelle, slimme, stemmige en stille levensgenieter


Het was een veelzeggend moment. We zaten met zijn vieren op een terrasje in een verlaten Frans dorp. Nauwelijks tweeduizend inwoners, ergens in de Haute-Saone. Een café of restaurant was er niet, dus hadden we onze toevlucht genomen tot een supermarkt. Kopje koffie, kopje thee, colaatje. Niets bijzonders zou je zo zeggen. Maar deze man genoot. Hij genoot volop, vooral van het beekje dat langs het terras stroomde. Het moet een zijtak van de rivier Semouse zijn geweest, iets anders kan ik er niet van maken. Wat wil je nog meer? was het enige wat hij zei. Tegenwoordig wil iedereen naar Thailand en drie keer per jaar op wintersport, maar deze man is tevreden met een kabbelend beekje in Midden-Frankrijk.


Met de klassieken naar Amsterdam

Michiel de Looze. Amsterdammer van geboorte, opgegroeid op het eiland Tholen in Zeeland. Vader een gevierd huisarts, moeder evenzeer een academische achtergrond. Gegoede afkomst dus. Tot genoegen van zijn ouders voltooide Michiel het gymnasium, hij mocht daardoor de klassieken tot zijn bagage rekenen. Ik was er niet bij, maar volgens mij heeft hij dat gymnasium op zijn sloffen gehaald. Gewoon een zeer slimme jongen. Veel belangrijker voor hem in die tijd was het voetbal. Michiel was een snelle rechtsbuiten, beetje type John van 't Schip.





En toen volgde die donderdagavond in augustus 1980. Wij ontmoetten elkaar in de aula van de Vrije Universiteit in Amsterdam. De eerste dagen van de introductieweek hadden we inmiddels achter de rug. Beiden kwamen we uit de provincie. Beiden dus wat onzeker, maar ook opgewonden over wat de grote stad ons zou gaan brengen. De verwachtingen over de studie liepen uiteen. Lichamelijke Opvoeding, een nieuwe opleiding die medisch-biologische met sociaalwetenschappelijke vakken combineerde, was voor mij de gedroomde studie. Voor Michiel had dit allemaal niet zo gehoeven, liever was hij geneeskunde gaan studeren. Het lot beschikte evenwel anders.


Homerisch door Amsterdam

Er was die donderdagavond nog iets aan de hand. Michiel vertelde mij dat hij op zoek moest naar een nieuwe kamer. Een nieuwe kamer? De meeste studenten moesten hun eerste kamer nog zien te bemachtigen, maar deze jongen was na vier dagen al aan zijn tweede kamer toe? Dat bleek inderdaad het geval. Vier hele dagen had hij van zijn kamer aan de Blasiusstraat mogen genieten toen zijn huisbaas het wel welletjes vond.

Wat volgde was een jarenlange homerische tocht langs kamers en etages in alle uithoeken van Amsterdam. Van Breestraat, Pontanusstraat, Weteringschans, Ceintuurbaan, Albert Cuypstraat en nog een handjevol meer. Licht aangeslagen maar vol optimisme zocht Michiel telkens weer naar een nieuw onderkomen wanneer hij -gedwongen of op eigen initiatief- het vorige moest verlaten. En bij die volgende kamer deed zich altijd wel weer een verrassing voor. Natte voeten omdat de vloer onder water stond, een Pakistaanse verhuurster die hem met een papegaai op haar schouder welkom heette, een huisjesmelker die het bestond om bij de toenmalige Sociale Dienst een uitkering te vragen terwijl hij ondertussen tonnen aan de verhuur van panden opstreek. De beste man is later overigens gearresteerd, zo lazen we in het Amsterdams Stadsblad.


Problemen Paultje

Maar Michiel leed toch niet echt onder dit verhuizingen-circus. Ja, vervelend was het wel. "Maar verder niet te veel over zeuren, Paul" was het enige wat hij dan zei. Dat zeuren, dat vond hij mij soms wel wat te veel doen. Typisch Limburgs trekje. Ik hield er -vrij naar de beruchte dierenrechtenactivist Pistolen Paultje- de bedenkelijke bijnaam Problemen Paultje aan over. Daarna heb ik mijn geweeklaag snel geminderd, denk ik. Michiel heb ik er ten minste nooit meer over gehoord. Wel over het feit dat ik te veel praat, maar daarvoor is mij nog geen nieuwe bijnaam aangemeten. Die zal vast nog wel een keer volgen.


Anti-professor, gewoon

Voor zijn studie had hij al die jaren maar een matige belangstelling. En als het dan toch moest, die lichamelijke opvoeding op wetenschappelijk niveau, dan wel graag een beetje exact. Anatomie, fysiologie, dat soort vakken. Hier deed zich een eerste scheiding onzer wegen voor, ik koos de sociaalwetenschappelijke afstudeervariant. In zijn vak heeft hij de top gehaald. Via een promotie naar een hoogleraarschap aan de VU dat hij combineert met een projectleiderschap bij TNO. Een anti-professor, zo noemde ik hem na afloop van zijn inaugurele rede. In niets de uitstraling van een hoogleraar. Gewoon een sympathieke jongen die gewoon zijn werk doet en daarbij gewoon excellente resultaten behaalt. Allemaal heel gewoon, niets bijzonders.


Focus en vooral géén generalisten!

Zijn geheim in het werk? Michiel werkt hard, verspilt weinig tijd en sluit op vrijdagmiddag de week af. Dan gaat de laptop dicht. Om maandagochtend pas weer open te gaan. Slechts in zeer uitzonderlijke gevallen werkt hij over. Focus is zijn kernkwaliteit. Van de versnipperde belangstelling van generalisten moet hij niets hebben. Hij zou mij dan ook nooit in zijn team kunnen hebben, dat zou niet goed gaan. Vakspecialisten heeft hij nodig. En als laatste over dat werk: ik betrap hem tegenwoordig soms zowaar op enig enthousiasme. Hij begint zijn werk echt leuk te vinden.


Mijnheer Fleer op zijn schouders

Tijdens zijn studententijd deed zich eigenlijk hetzelfde patroon voor als tijdens zijn middelbare school. De studie mocht toch vooral niet te belangrijk worden, het draait in het leven in de eerste plaats om sport. Hij voetbalde nog een blauwe maandag bij Blauw Wit, maar dat verruilde hij snel voor de atletiekvereniging AAC. Daar togen we samen heen, ik zie ons nog gaan op de fiets. Naar Ookmeer in het verre Amsterdam-West. Mijnheer Fleer en Bob Boverman ontvingen ons. Fleer was één van die klassieke vrijwilligers, hij gaf tussen- en aan de finish eindtijden aan de atleten door. Boverman was een toptrainer. Gek genoeg heeft vooral Fleer invloed op Michiel gehad. Van hem leerde hij dankbaarheid en tevredenheid uit te stralen voor het feit dat hij atletiek kon en mocht beoefenen. Lessen in eenvoud waren dat, Michiel zou ze nooit vergeten. Fleer, inmiddels al vele jaren overleden, moet dan ook op zijn schouder hebben gezeten, daar op dat terrasje aan de Semouse.


Een studentenkamertje vol Nike-kleding

Net als bij de studie scheidden ook hier onze wegen. Ik haakte snel af vanwege chronische blessures, Michiel behaalde ook in de atletiek de top. Met de achthonderd meter als zijn favoriete nummer. Het waren de jaren van Rob Druppers. Die torende met kop en schouders boven iedereen uit. Nationaal kampioen zou Michiel dan ook niet kunnen worden, maar de sponsoren hielden hem wel degelijk in de gaten. Nooit zal ik die avond vergeten op zijn kamertje aan de Ceintuurbaan. Nike had hem voor de eerste keer van sportkleding voorzien. Die lag uitgestald in die kamer, er was werkelijk geen doorkomen meer aan op die paar vierkante meter. Donderde allemaal niet, Michiel had niet meer nodig. His finest hourDie kamer aan de Ceintuurbaan was vergelijkbaar met het terras langs het beekje.


Leffe op de zondag

We schrijven inmiddels dertig jaar later. Nog steeds een onwaarschijnlijk afgetraind lichaam, maar de grijze haarkleur heeft onverbiddelijk toegeslagen. Al weer vele jaren als trainer actief voor de atletiekvereniging in zijn woonplaats. Standaard een Leffe op de zondag, voor het overige regeert nog steeds de matigheid. Zoekt als het even kan samen met zijn Linda de rust op buiten de Randstad. Droomt soms al van een terugkeer naar Zeeland na zijn pensionering. Heeft nog steeds genoeg aan zichzelf, aan Linda en aan de atletiek.

We zien elkaar nog regelmatig. Over gevoelens spreken we nooit. Wederzijds onvermogen. Dus hebben we het vooral over voetbal en Danny Blind. Een echte mannenvriendschap. Dat moet vooral zo blijven en daar hoeven we ons best niet voor te doen. Voor zijn prestaties als topatleet en professor heb ik altijd veel bewondering gehad. Maar mijn echte bewondering zit in iets anders. In zijn hang naar het kleine. Die uit zich op twee manieren. Allereerst door zijn voorliefde voor de kleine geneugten van het leven. Dat beekje, dat biertje op de zondag. Maar ook door zijn stemmigheid, zijn bescheidenheid. Dit is geen man van grote woorden en al helemaal niet als het over zijn eigen performance gaat.

Waarom moest het toch bijna veertig jaar duren voordat ik de kracht en schoonheid van deze vriend onder woorden kon brengen?

Paul Strijp, 11 augustus 2017

vrijdag 30 juni 2017

Kai de Jong, vertederende combinatie van dominantie en fijngevoeligheid



Als hij je huis passeert, klopt hij op het raam. Kom even naar buiten, gebaart hij dan. Dat gebaar is krachtig en laat weinig ruimte, je zou niet binnen durven blijven. Eenmaal buiten begroet hij je kameraadschappelijk. Alsof hij je al jarenlang kent. Terwijl dat toch echt niet het geval is.




We wisselen wat dagelijkse wetenswaardigheden, meestal over zijn drukke bestaan. Soms volgt een uitnodiging om zijn huis te bezoeken. Daar laat hij geen twijfel bestaan: in dit huis ben ik de baas! Hij deelt de lakens uit en geeft zijn huisgenoten opdracht om de honden uit te laten. Die opdracht laat even weinig ruimte als zijn gebaar om naar buiten te komen. Ondertussen knuffelt hij zijn zus. Een vertederende combinatie van dominantie en fijngevoeligheid.


Een andere keer ontstaat het plan om samen te gaan hardlopen. Hij geniet zichtbaar. Na een paar honderd meter moet hij even pauzeren, maar uiteindelijk arriveren we op de brug over het Amsterdam - Rijnkanaal. En wéér geniet hij met volle teugen. Van de boten die passeren. Wat mooi om zo hoog boven die boten uit te torenen. Deze jongen houdt van het leven.


Weer een andere keer treft hij mij niet thuis. Waar is je man? zo vraagt hij aan mijn vrouw. Die is kennelijk toch net iets minder interessant voor hem dan ik. In niet mis te verstane bewoordingen laat hij haar weten: je moet de was nu niet ophangen, het gaat zo regenen en onweren. Het zal duidelijk zijn: die was verdwijnt van de lijn. En wel onmiddellijk. Kai knikt instemmend.


Lange tijd heb ik me verbeeld dat ik de enige ben met wie hij zo amicaal omgaat. Tot voor kort. Wij hadden een buurman op bezoek. Die begon een uitgebreid verhaal hoe enthousiast die Kai hem wel niet bejegende en hoe hij hem reeds van verre begroette. Ik hoorde dit verhaal aan, moest even slikken en realiseerde me meteen dat ik een illusie armer ben: ik ben niet de enige.


Desondanks: als ik Kai zie, word ik blij!



Paul Strijp, 30 juni 2017

woensdag 14 december 2016

Dick Geurts, creatieveling die weer snel een staartje moet laten groeien



Dat was best een overstap. Van het toenmalige ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) naar het machtige en steile ministerie van Financiën aan het Korte Voorhout in Den Haag. Met snelle en jonge ambtenaren in pak die –als een collega om vijf uur ’s middags naar huis ging- steevast riepen: “Hé, nu al naar huis? Een vrije dag zeker?” Dat was het klassieke beeld van Financiën. Tot ik ging solliciteren. En aan de andere kant van de tafel een alleraardigste man met een staartje trof. Dit was anti-Financiën! Dit kon helemaal niet en toch zat hij daar. Dick Geurts.




Dick bleef zitten waar hij zat

Van 1995 tot 2002 werkte ik regelmatig met Dick samen. Bij de Belastingdienst, onderdeel van Financiën. Dick was Dick. Met dat staartje dus en met zijn vulpen. Een dikke vulpen. Waarmee hij prachtige en onnavolgbare schema’s tekende. Het leken wel mandala’s. Dick ordende zijn gedachten in artistieke schema’s en bleek in staat om zijn omgeving daarin mee te nemen. Sterker, die omgeving smulde daarvan. Dick was ook communicatie. Communicatie was zijn ding. Zijn professie, zijn vakmanschap en passie. Volgens mij is hem nooit een functie in een ander vakgebied aangeboden. Dat had hij best gekund, want hij is über-intelligent. Maar Dick zou daar gewoon geen zin in hebben gehad. En omdat hij excelleerde in communicatie en voor de Belastingdienst onmisbaar was, ging de personeelsmobiliteit aan deze man voorbij. Dick bleef dus al die jaren zitten waar hij zat. En werd iedere keer wéér enthousiast van die communicatie. Alsof hij een nieuwkomer was in dit vakgebied, alsof hij de schoonheid van het vak telkens voor het eerst ervoer. Een kind dat in zijn spel genoeg had aan zichzelf. Hij vond zichzelf telkens opnieuw uit als communicatieprofessional.


Creativiteit als asset

Dick was Dick, jazeker. En Dick was communicatie, óók dat. Maar Dick was toch vooral creativiteit. Dat lijkt een wat terloopse eigenschap van iemand in een organisatie als de Belastingdienst. Mooi meegenomen als je een creatieveling in de gelederen hebt, maar wat moet je er nu helemaal mee als je vooral moet heffen en innen? Zo niet bij Dick. In mijn jaren heeft de Belastingdienst die kwaliteit van Dick altijd op waarde geschat en ten volle benut. Creativiteit als asset zouden we tegenwoordig zeggen. Bij de introductie van het nieuwe belastingstelsel rond de eeuwwisseling haalde Jenny Thunnissen, toenmalig directeur-generaal, als eerste onze Dick van stal. Om te voorkomen dat al die belastinginspecteurs gingen kwijlen bij dat nieuwe stelsel en meteen de meest ingenieuze fiscale hoogstandjes gingen bedenken,  moest Dick eerst maar eens de gedachten losweken. Zou Dick het eeuwige leven hebben binnen de Belastingdienst (en wie zou hem dat niet gunnen?) dan zou hij vast een prominente rol krijgen toebedeeld bij het zoeken van een antwoord op de moderne technologische ontwikkelingen. Zoals het Ethereum.  Dat zijn digitale munten waarmee zonder tussenkomst van een derde partij transacties en contracten afgesloten kunnen worden. Ik kan me zo voorstellen dat ze daar bij de Belastingdienst wel eens wakker van liggen. De mandala’s van Dick gaan ze nog missen.


Beleidsnota’s uit de DDR

Dick wist die creativiteit te koppelen aan een zeer begenadigd analytisch vermogen. Waardoor elk beleidsstuk van zijn hand behalve speels ook nog eens een keer akelig rationeel kon zijn. Klassiek en berucht was zijn communicatiearchitectuur. Dat was een bouwwerk, noem het gerust een design, waarbij de regeringsleiders van de voormalige DDR hun vingers zouden hebben afgelikt. De architectuur bood je voor werkelijk elk denkbare situatie een passend communicatie-instrument. Via een ingenieus algoritme bedacht Dick voor je of je een folder of een tv-spotje moest inzetten. Zijn architectuur was zogenaamd vrijwillig maar de minutieuze uitwerking verried een dwingende kracht. Wee degene die een ander instrument durfde te kiezen als wat Dick je zogenaamd 'adviseerde'.  Zelden heb ik een communicatie-beleidsstuk  meegemaakt met een grotere impact. Dick bleek over het vermogen te beschikken om hele directies in de Belastingdienst in de gordijnen te jagen. Mensen werden witheet bij het horen van het woord architectuur, raakten er emotioneel van. Wat Dick allemaal bedacht had, dat ging dus ergens over. De architectuur is er volgens mij nooit gekomen, Dick zal dat ontkennen, maar het was één van de knapste intellectuele producten die ik ooit gezien heb.


Dick, graag weer een staartje

Dick was ook een bindende factor. De afdeling waar hij samen met Han Elbers leiding aan gaf, de afdeling Diensten en Communicatie, was een bonte verzameling collega’s. Met echte projectmanagers, wat beleidstypen zoals ik en een aantal mensen in de ondersteunende sfeer. Dick was er altijd voor iedereen. Toonde zich steun, toeverlaat en gesprekspartner. Vooral voor wijlen Richard Gilhuys, een zeer begenadigd maar ook wat kwetsbare man. Dick bekommerde zich om Richard.

Dick was Dick, jazeker. En Dick was communicatie en creativiteit, óók dat. Maar Dick was toch vooral gewoon een heel aardige man. Eén van de kleurrijkste figuren die ik in mijn loopbaan heb ontmoet. Daar had hij dat staartje niet voor nodig, hoewel ik diep in mijn hart wel hoop dat hij zich dat de komende jaren weer laat aanmeten.

Paul Strijp, 11 november 2016