Translate

zondag 1 november 2020

Guillaume Heemels, levenskunstenaar in de geest van Spinoza


Jazeker, Guillaume was een levensgenieter. Frankrijk, wijn, goed eten. En ondertussen met elkaar vertellen, zoals hij dat noemde. Maar Guillaume was méér dan dat. Hij was een levenskunstenaar. In de geest van de zeventiende-eeuwse filosoof Spinoza. Je kijkt op je leven terug en je ziet dat het goed was. Ondanks het lijden en de tegenslagen. Aan het einde van zijn leven stemde Guillaume in met datzelfde leven.



Augustus 1980. Als zeventienjarige jongen toog ik naar Amsterdam. Om te gaan studeren. In Amsterdam woonde Jomie, een buurjongen van twee huizen verder. Jomie, zijn roepnaam, was elf jaar ouder. Ik kende hem een beetje. Van een enkele keer tafeltennis bij ons in de garage. Die partijtjes duurden tot 's avonds laat. De garage was schaars verlicht, met een enkele looplamp van mijn vader. Op de tast moest je het balletje maar zien te raken. Jomie maakte indruk. Technisch zeer bedreven. En fanatiek. Toen hij tijdens zo'n avond van mijn aanstaande vertrek naar Amsterdam hoorde bood hij direct zijn hulp aan. Jomie ontfermde zich zogezegd over mij. Een geruststelling voor mijn moeder. Een zoon naar het Amsterdam van de krakersrellen, dat was toch niet niks.

En zo geschiedde. Wat volgde was een veertigjarige vriendschap. Met meer en minder intensieve perioden. Maar toch, een vriendschap. Een poging tot een karakterschets.


Het goede gesprek

Guillaume had in die jaren een Opel Kadett. Een groene. Zoals echte Limburgers betaamt gingen we in het weekend naar huis. Niet elk weekend, gemiddeld eens per veertien dagen. In die Opel ontvouwde zich voor mij een nieuwe wereld. De wereld van literatuur, filosofie, kookkunst, politiek, sport, muziek. Om maar eens een paar gebieden te noemen. Zelf was ik op die leeftijd eigenlijk alleen geïnteresseerd in voetbal. Als een ware 'homo universalis' opende hij voor mij vensters. En liet zien hoe boeiend die werelden wel niet waren. Guillaume legde de basis voor mijn latere generalistische belangstelling. Zijn invloed op mijn ontwikkeling is groot geweest.


Maar die gesprekken gingen verder. Guillaume debiteerde vaak levenswijsheden. "Vaar niet met een motorboot tegen de stroom in, Paul. Maar laat je op een luchtbed meenemen door de krachten waaraan je bloot staat". Die vond ik prachtig. Als adolescent was ik daar ook wel aan toe. Veel weerwoord gaf ik hem niet, ik consumeerde gulzig zijn inzichten. Af en toe zat daar ook wat gemopper tussen. Op 'de Hollenders' bijvoorbeeld. Met hen had hij een haat-liefde-verhouding. Stiekem had hij bewondering voor hun zakelijkheid. Daar kon hij zich ook wel aan laven. Maar op hetzelfde moment vond hij die zakelijke houding kil en afstandelijk. In zijn hart was en bleef Guillaume een Limburger. Hij miste de warmte in Holland. Na een aantal jaren vestigde hij zich weer in Maastricht en later in de omstreken daarvan. Hij zou er blijven tot zijn dood.


De gulle lach

Bulderen van het lachen kon hij. Zoals die ene keer in 1984. Tijdens een fietsvakantie naar de Elzas belandden we in een weiland tegen een berghelling. Nergens meer een fietspad te bekennen. Hoe lang we met de fiets op de schouders door het gras hebben gelopen weet ik niet meer. Wel dat het lang was. Op de achtergrond was alleen het schelle geluid van koeienbellen te horen. Daar zag Guillaume op enig moment het grappige wel van in. En toen was er geen houden meer aan. Zijn uitbundige lach ging met hem op de loop. Jaren later had hij het er nog over. Dat gold ook voor die keer dat hij mijn studentenkamer ging behangen. Ik stond erbij en keek ernaar. Guillaume deed het werk. Toen ik een stap achteruit moest doen om hem niet in de weg te lopen, plofte ik met beide voeten in het behangplaksel. Eenzelfde onbedaarlijke lach maakte zich van hem meester.


Zijn lach kon ook subtiel zijn. Die ging dan gepaard met glinsterende ogen. Hij genoot van de fijngevoelige humor waarmee het leven soms doorspekt is. Ik vergeet nooit zijn glimlach achter het stuur van diezelfde Opel Kadett. Op een parkeerplaats langs de A2 stonden twee nonnen te liften. Het leed voor Guillaume geen enkele twijfel dat wij hun een lift zouden aanbieden. Twee nonnen met twee studenten. In een Opel Kadett. Het beeld hield het midden tussen een surrealistisch schilderij en een absurdistische film. Op dat soort momenten vielen Guillaume en zijn lach samen. Guillaume was zijn lach.


Gezondheid en sport

De duursporten zwemmen, fietsen en hardlopen. Een enkele keer gecombineerd tot een kwart triatlon. De racketsporten tafeltennis, badminton en squash. En verder biljarten, met een goed glas wijn uiteraard. Zie hier het rijtje sporten dat ik met Guillaume beoefend heb. Schaken hoort daar niet in thuis. Een passie van hem waarin we elkaar nooit gevonden hebben. Er zaten grenzen aan mijn veelzijdigheid, niet aan de zijne. Zijn belangstelling voor alles wat met gezondheid en sport te maken had leidde op latere leeftijd tot een aantal diploma's voor sportmasseur. Die ontwikkeling heb ik vanaf de zijlijn gevolgd. Mijn indruk is dat hij hier vol in is opgegaan. Met een praktijk aan huis. Tijdens zijn uitvaart bleek mij dat hij hiermee vriendschappen heeft opgebouwd. Dat was kenmerkend voor hem. Als hij iets deed bond hij mensen aan zich.



Wel te doen en blij te wezen

Jazeker, Guillaume was dus een levensgenieter. Maar hij was méér dan dat. Hij was een levenskunstenaar. En wel in de geest van de beroemde Nederlandse filosoof Baruch Spinoza (1632 - 1677). Guillaume zelf heb ik nooit over hem horen praten, hij had het vooral over de Franse existentialist Jean-Paul Sartre. Eén van de leerstukken van Spinoza was de bene agere et laetari. Vertaald als wel te doen en blij te wezen. Wel te doen staat bij Spinoza voor goed, flink en krachtig handelen. Voor medelijden had hij geen plaats, dat vond Spinoza maar slecht en nutteloos. Deze traditie omarmt het leven. Je kijkt op je leven terug en je zegt: "Ondanks alle tegenslagen en het lijden was mijn leven de moeite waard". Kortom: een Spinozistisch levenskunstenaar geeft blijk van een fundamentele instemming met het leven.


Dat is precies wat Guillaume liet zien. Ga maar na. Het lijden is hem niet bespaard gebleven. Gezondheid en sport hebben niet kunnen beletten dat een ongeneeslijke ziekte hem tot overgave dwong. Eerder streed hij al tegen ander lichamelijk ongemak. Persoonlijk heb ik hem nooit hierover horen klagen. Nooit. Voor mij heeft hij zijn lijden bewonderenswaardig gedragen. Maar de ultieme uitdrukking van zijn Spinozistische levenshouding viel te lezen op zijn overlijdenskaart. Ik heb in mijn leven alles gedaan, wat ik wilde.


Blijvende invloed

Fijne paasdagen met de hoop dat we elkaar weer eens echt kunnen ontmoeten. Ik laat de eieren gewoon liggen. Het laatste persoonlijke bericht dat ik van hem kreeg. De coronacrisis stond deze ontmoeting in de weg. Met veel respect en dankbaarheid gedenk ik Guillaume. Op mij heeft hij een blijvende invloed gehad.


Paul Strijp Diemen, 31 oktober 2020

woensdag 26 september 2018

Riet Kletter, lieve schoonmoeder van de drie O's


"Door Nanette leerde ik dat je het leven ook kunt nemen zoals het is, dat je niet bitter hoeft te worden als het tegenzit, maar dat je er genoegen aan kunt beleven als mensen mooi bij elkaar zijn. Het gaat in het leven om het vergaren van kennis en wijsheid, dacht ik altijd, maar dankzij mijn zusje kwam ik erachter dat je het leven ook kunt leven zonder één boek te lezen".

Deze woorden zijn van Xandra Schutte, voormalig hoofdredacteur van het blad Vrij Nederland. Zij stonden in de Volkskrant van 5 juni 2004, alweer enige tijd geleden dus. Toen ik ze las, heb ik ze meteen opgeschreven. Zo mooi. Ik noteerde ze niet alleen vanwege de schoonheid en de levenswijsheid die erachter schuil gingen, ik had er ook een andere reden voor. Waar Schutte haar overleden zus wilde herdenken, riepen deze woorden voor mij een zeer sterke associatie op met mijn schoonmoeder. In zekere zin leeft de overleden Nanette Schutte in haar voort. Met die kanttekening dat mijn schoonmoeder met haar tachtig jaar nog steeds in het volle leven staat en wel boeken leest. Maar voor het overige gaat de vergelijking helemaal op.






Riet Kletter. Mijn schoonmoeder. De allerliefste schoonmoeder, al meer dan dertig jaar. Moeder van twee zoons en één dochter en oma van acht kleinkinderen. Als kind opgegroeid in Jutphaas bij Nieuwegein in een gezin met zes broers en twee zussen. Als volwassen vrouw haar leven voornamelijk doorgebracht in Maastricht. Eerst met haar inmiddels overleden man Anton, de laatste zeventien jaar met haar levenspartner Ley. De persoonlijkheid van Riet kan het best worden omschreven met de drie O's: optimistisch, ongecompliceerd, onvermoeibaar.


Wil je nog een kopje koffie, jongen?

Als tiener kwam ik al veel bij de familie Kletter over de vloer. Lange tijd vanwege mijn vriendschap met de oudste zoon Arjan, later ook omdat ik de dochter in toenemende mate interessant begon te vinden. Al die jaren trof ik in dat gezin een zieke vader. Een vader die overdag niet naar kantoor of fabriek ging, maar thuis was. En er dan ook echt was, voor zijn gezin. Dat bestierde hij samen met zijn vrouw Riet. Ondanks vaders ziekte was hun huis niet zelden een zoete inval van vriendjes en vriendinnetjes. Tafeltennis, quizzen, gewoon met elkaar praten en discussie voeren. Je rook de gastvrijheid in huize Kletter. Maar wat misschien nog wel belangrijker was: je voelde ook hoe vader en moeder een fundament aan hun kinderen meegaven. Een fundament van vertrouwen. Mijn vrouw memoreert nog vaak hoeveel zelfvertrouwen zij ook nu nog ontleent aan een lijfspreuk in hun gezin: het is goed zoals je het doet, meisje! Kortom: jij mag er wezen zoals je bent. Jouw waarde als mens hangt niet af van wat je kunt of presteert, maar jij bent ook los daarvan de moeite waard.

Vader Anton was, sigaartje in en drankje bij de hand, de spirituele kracht. Moeder Riet was de motor. Zij hield het gezin draaiend, ook en vooral tijdens de perioden dat vader in het ziekenhuis opgenomen was. Dat moet loodzwaar zijn geweest. Zowel lichamelijk als geestelijk. Maar dat merkte je nooit. "Wil je nog een kopje koffie, jongen?", vroeg ze dan. In die vraag zat eigenlijk alles, die vraag symboliseerde voor mij de kracht van Riet. Hoeveel andere mensen zouden onder dergelijke omstandigheden niet met recht hebben gezegd: "De koffie staat in de keuken, je kunt gerust een kopje nemen"? Ik herinner mij dat veel mensen in Maastricht indertijd ook met bewondering over die kracht spraken. Hoe houdt ze het vol, hoe blijft ze zo optimistisch? Het antwoord op die vraag moet voor haar ongeveer als volgt luiden: het leven is nu eenmaal de moeite waard, dan kun je er maar beter iets van maken, toch?

Anton Kletter was bij leven al een legende, dat geldt in even sterke mate voor onze Riet. Voor mij mag zij heilig verklaard worden. Een heilige voor wie de stad Maastricht ergens een klein, mooi beeldje laat plaatsen. In het stadspark bijvoorbeeld.


Neen meisje, aan de dood denk ik nu echt nooit

Bij dat optimisme hoort ook een zekere ongecompliceerdheid. Het leven is soms verdrietig, zeker, maar je moet het nu ook weer niet al te ingewikkeld maken. "Neen meisje, aan de dood denk ik nu echt nooit", verzekerde zij mijn vrouw onlangs nog. Spiritualiteit of diepgravende levensvraagstukken zijn niet aan haar besteed. Misschien is die ongecompliceerdheid ook wel een voorwaarde voor dat optimisme van haar. Maar laten we waken voor één misverstand: ongecompliceerdheid betekent géénszins dat Riet niet weet wat er in de wereld te koop is. Integendeel. Zij leest de krant, luistert naar de radio en kijkt televisie, leest boeken. Politiek maak je haar niets wijs. Vroeger een uitgesproken adept van het CDA en stiekem een beetje verliefd op voorman Ruud Lubbers met zijn baardstoppels, tegenwoordig iets minder beginselvast. Het boek Wees onzichtbaar van Murat Isik had ze in no time verslonden. Met die literaire kennis pronkt ze niet. "Prachtig, prachtig!" hoor je zeggen als je vraagt wat ze ervan vond.

Wat betekent die ongecompliceerdheid dan wel? Allereerst -voor zover ik dat kan nagaan- de afwezigheid van een angst voor ziekte. Ondanks de jarenlange ziekte van haar man en een medisch ongemak dat zij zelf enige jaren geleden overwonnen heeft, zal ze van een verslechterende gezondheid niet wakker liggen. Het leven komt zoals het komt. Waar ze wel slapeloze nachten van kan hebben, is angst voor of bezorgdheid om de kinderen en kleinkinderen. Die vormen haar hoogste goed, die zijn haar alles. Haar grootste nachtmerrie? Stel, je zou blijvende ruzie met die kroost hebben. In sommige families hoor je dat weleens. Dat zou ze niet overleven, dan zou ze nog liever dood zijn.

De ongecompliceerdheid van Riet betekent ook dat ze soms een tikkeltje ondeugend is. Klassiek is het verhaal dat ze vroeger een keer onbedaarlijk en ongegeneerd moest lachen toen ze iemand onderuit zag gaan op een glad trottoir. Niet waar die persoon bij was natuurlijk, maar gewoon schaterlachen vanuit de huiskamer. Kijk, dat hoort dan ook bij het leven. Mag eigenlijk niet, lachen om andermans leed, maar ja, dat overvalt je dan wel dus kun je er ook maar beter aan toegeven. Toch?


Riet doet nooit een dutje 

Carnavalszondag in café de Perroen op het Vrijthof in Maastricht. Een uurtje of zeven 's avonds, gaat u er zelf eens een keer kijken. Deinende en hossende massa's van vooral jonge mensen. Harde muziek, zeer harde muziek. De drank vloeit rijkelijk. Maastricht vermaakt zich en goeijt ziech d'r door. Inmiddels is het een vertrouwd ritueel: temidden van die massa's bewegen zich ook twee wat oudere mensen. Riet en Ley. Niet als twee grijze muizen die aan de zijlijn staan te kijken, neen, als twee carnavalsvierders die volop meehossen en niet onderdoen voor de jongelui. Het voornemen om het de komende jaren met carnaval iets rustiger aan te doen -wat uit de mond van een tachtigjarige toch niet ongeloofwaardig zou klinken- heb ik nog niet gehoord.  

Riet heeft een erfelijk gestel zonder genen die aan slijtage onderhevig zijn. Haar lichaam laat geen verouderingsprocessen toe. Hoe het kan weet ik niet, maar zij is nooit moe. De woorden "Ik ben moe, ik ga even een halfuurtje op bed liggen" heb ik haar in al die jaren werkelijk nog nooit horen uitspreken. Een dutje doet zij nooit, Riet is altijd fit. Natuurlijk, de jaren laten ook bij haar wel enige sporen na, maar die zijn minimaal. Zelfs na een lange treinreis staat zij kwiek voor de deur. Als de kleinkinderen dat willen, speelt zij spelletjes met hen. Kaarten, rummikub, desnoods tot één uur 's nachts. De volgende ochtend roept zij ons vrolijk uit bed. "Het ontbijtje staat klaar". En als we dan aan tafel zitten: vertellen, vertellen. Verhalen, verhalen. Geen detail blijft onvermeld. Riet voert het woord. Een buitenstaander zou denken dat de kinderen en kleinkinderen achter de geraniums zitten en van Riet te horen krijgen wat er in de wereld allemaal gaande is.


Mooi bij elkaar zijn. In de geest van Nanette Schutte. Dat zij Riet nog vele jaren gegund.


Paul Strijp, 8 augustus 2018

vrijdag 11 augustus 2017

Michiel de Looze: snelle, slimme, stemmige en stille levensgenieter


Het was een veelzeggend moment. We zaten met zijn vieren op een terrasje in een verlaten Frans dorp. Nauwelijks tweeduizend inwoners, ergens in de Haute-Saone. Een café of restaurant was er niet, dus hadden we onze toevlucht genomen tot een supermarkt. Kopje koffie, kopje thee, colaatje. Niets bijzonders zou je zo zeggen. Maar deze man genoot. Hij genoot volop, vooral van het beekje dat langs het terras stroomde. Het moet een zijtak van de rivier Semouse zijn geweest, iets anders kan ik er niet van maken. Wat wil je nog meer? was het enige wat hij zei. Tegenwoordig wil iedereen naar Thailand en drie keer per jaar op wintersport, maar deze man is tevreden met een kabbelend beekje in Midden-Frankrijk.


Met de klassieken naar Amsterdam

Michiel de Looze. Amsterdammer van geboorte, opgegroeid op het eiland Tholen in Zeeland. Vader een gevierd huisarts, moeder evenzeer een academische achtergrond. Gegoede afkomst dus. Tot genoegen van zijn ouders voltooide Michiel het gymnasium, hij mocht daardoor de klassieken tot zijn bagage rekenen. Ik was er niet bij, maar volgens mij heeft hij dat gymnasium op zijn sloffen gehaald. Gewoon een zeer slimme jongen. Veel belangrijker voor hem in die tijd was het voetbal. Michiel was een snelle rechtsbuiten, beetje type John van 't Schip.





En toen volgde die donderdagavond in augustus 1980. Wij ontmoetten elkaar in de aula van de Vrije Universiteit in Amsterdam. De eerste dagen van de introductieweek hadden we inmiddels achter de rug. Beiden kwamen we uit de provincie. Beiden dus wat onzeker, maar ook opgewonden over wat de grote stad ons zou gaan brengen. De verwachtingen over de studie liepen uiteen. Lichamelijke Opvoeding, een nieuwe opleiding die medisch-biologische met sociaalwetenschappelijke vakken combineerde, was voor mij de gedroomde studie. Voor Michiel had dit allemaal niet zo gehoeven, liever was hij geneeskunde gaan studeren. Het lot beschikte evenwel anders.


Homerisch door Amsterdam

Er was die donderdagavond nog iets aan de hand. Michiel vertelde mij dat hij op zoek moest naar een nieuwe kamer. Een nieuwe kamer? De meeste studenten moesten hun eerste kamer nog zien te bemachtigen, maar deze jongen was na vier dagen al aan zijn tweede kamer toe? Dat bleek inderdaad het geval. Vier hele dagen had hij van zijn kamer aan de Blasiusstraat mogen genieten toen zijn huisbaas het wel welletjes vond.

Wat volgde was een jarenlange homerische tocht langs kamers en etages in alle uithoeken van Amsterdam. Van Breestraat, Pontanusstraat, Weteringschans, Ceintuurbaan, Albert Cuypstraat en nog een handjevol meer. Licht aangeslagen maar vol optimisme zocht Michiel telkens weer naar een nieuw onderkomen wanneer hij -gedwongen of op eigen initiatief- het vorige moest verlaten. En bij die volgende kamer deed zich altijd wel weer een verrassing voor. Natte voeten omdat de vloer onder water stond, een Pakistaanse verhuurster die hem met een papegaai op haar schouder welkom heette, een huisjesmelker die het bestond om bij de toenmalige Sociale Dienst een uitkering te vragen terwijl hij ondertussen tonnen aan de verhuur van panden opstreek. De beste man is later overigens gearresteerd, zo lazen we in het Amsterdams Stadsblad.


Problemen Paultje

Maar Michiel leed toch niet echt onder dit verhuizingen-circus. Ja, vervelend was het wel. "Maar verder niet te veel over zeuren, Paul" was het enige wat hij dan zei. Dat zeuren, dat vond hij mij soms wel wat te veel doen. Typisch Limburgs trekje. Ik hield er -vrij naar de beruchte dierenrechtenactivist Pistolen Paultje- de bedenkelijke bijnaam Problemen Paultje aan over. Daarna heb ik mijn geweeklaag snel geminderd, denk ik. Michiel heb ik er ten minste nooit meer over gehoord. Wel over het feit dat ik te veel praat, maar daarvoor is mij nog geen nieuwe bijnaam aangemeten. Die zal vast nog wel een keer volgen.


Anti-professor, gewoon

Voor zijn studie had hij al die jaren maar een matige belangstelling. En als het dan toch moest, die lichamelijke opvoeding op wetenschappelijk niveau, dan wel graag een beetje exact. Anatomie, fysiologie, dat soort vakken. Hier deed zich een eerste scheiding onzer wegen voor, ik koos de sociaalwetenschappelijke afstudeervariant. In zijn vak heeft hij de top gehaald. Via een promotie naar een hoogleraarschap aan de VU dat hij combineert met een projectleiderschap bij TNO. Een anti-professor, zo noemde ik hem na afloop van zijn inaugurele rede. In niets de uitstraling van een hoogleraar. Gewoon een sympathieke jongen die gewoon zijn werk doet en daarbij gewoon excellente resultaten behaalt. Allemaal heel gewoon, niets bijzonders.


Focus en vooral géén generalisten!

Zijn geheim in het werk? Michiel werkt hard, verspilt weinig tijd en sluit op vrijdagmiddag de week af. Dan gaat de laptop dicht. Om maandagochtend pas weer open te gaan. Slechts in zeer uitzonderlijke gevallen werkt hij over. Focus is zijn kernkwaliteit. Van de versnipperde belangstelling van generalisten moet hij niets hebben. Hij zou mij dan ook nooit in zijn team kunnen hebben, dat zou niet goed gaan. Vakspecialisten heeft hij nodig. En als laatste over dat werk: ik betrap hem tegenwoordig soms zowaar op enig enthousiasme. Hij begint zijn werk echt leuk te vinden.


Mijnheer Fleer op zijn schouders

Tijdens zijn studententijd deed zich eigenlijk hetzelfde patroon voor als tijdens zijn middelbare school. De studie mocht toch vooral niet te belangrijk worden, het draait in het leven in de eerste plaats om sport. Hij voetbalde nog een blauwe maandag bij Blauw Wit, maar dat verruilde hij snel voor de atletiekvereniging AAC. Daar togen we samen heen, ik zie ons nog gaan op de fiets. Naar Ookmeer in het verre Amsterdam-West. Mijnheer Fleer en Bob Boverman ontvingen ons. Fleer was één van die klassieke vrijwilligers, hij gaf tussen- en aan de finish eindtijden aan de atleten door. Boverman was een toptrainer. Gek genoeg heeft vooral Fleer invloed op Michiel gehad. Van hem leerde hij dankbaarheid en tevredenheid uit te stralen voor het feit dat hij atletiek kon en mocht beoefenen. Lessen in eenvoud waren dat, Michiel zou ze nooit vergeten. Fleer, inmiddels al vele jaren overleden, moet dan ook op zijn schouder hebben gezeten, daar op dat terrasje aan de Semouse.


Een studentenkamertje vol Nike-kleding

Net als bij de studie scheidden ook hier onze wegen. Ik haakte snel af vanwege chronische blessures, Michiel behaalde ook in de atletiek de top. Met de achthonderd meter als zijn favoriete nummer. Het waren de jaren van Rob Druppers. Die torende met kop en schouders boven iedereen uit. Nationaal kampioen zou Michiel dan ook niet kunnen worden, maar de sponsoren hielden hem wel degelijk in de gaten. Nooit zal ik die avond vergeten op zijn kamertje aan de Ceintuurbaan. Nike had hem voor de eerste keer van sportkleding voorzien. Die lag uitgestald in die kamer, er was werkelijk geen doorkomen meer aan op die paar vierkante meter. Donderde allemaal niet, Michiel had niet meer nodig. His finest hourDie kamer aan de Ceintuurbaan was vergelijkbaar met het terras langs het beekje.


Leffe op de zondag

We schrijven inmiddels dertig jaar later. Nog steeds een onwaarschijnlijk afgetraind lichaam, maar de grijze haarkleur heeft onverbiddelijk toegeslagen. Al weer vele jaren als trainer actief voor de atletiekvereniging in zijn woonplaats. Standaard een Leffe op de zondag, voor het overige regeert nog steeds de matigheid. Zoekt als het even kan samen met zijn Linda de rust op buiten de Randstad. Droomt soms al van een terugkeer naar Zeeland na zijn pensionering. Heeft nog steeds genoeg aan zichzelf, aan Linda en aan de atletiek.

We zien elkaar nog regelmatig. Over gevoelens spreken we nooit. Wederzijds onvermogen. Dus hebben we het vooral over voetbal en Danny Blind. Een echte mannenvriendschap. Dat moet vooral zo blijven en daar hoeven we ons best niet voor te doen. Voor zijn prestaties als topatleet en professor heb ik altijd veel bewondering gehad. Maar mijn echte bewondering zit in iets anders. In zijn hang naar het kleine. Die uit zich op twee manieren. Allereerst door zijn voorliefde voor de kleine geneugten van het leven. Dat beekje, dat biertje op de zondag. Maar ook door zijn stemmigheid, zijn bescheidenheid. Dit is geen man van grote woorden en al helemaal niet als het over zijn eigen performance gaat.

Waarom moest het toch bijna veertig jaar duren voordat ik de kracht en schoonheid van deze vriend onder woorden kon brengen?

Paul Strijp, 11 augustus 2017

vrijdag 30 juni 2017

Kai de Jong, vertederende combinatie van dominantie en fijngevoeligheid



Als hij je huis passeert, klopt hij op het raam. Kom even naar buiten, gebaart hij dan. Dat gebaar is krachtig en laat weinig ruimte, je zou niet binnen durven blijven. Eenmaal buiten begroet hij je kameraadschappelijk. Alsof hij je al jarenlang kent. Terwijl dat toch echt niet het geval is.




We wisselen wat dagelijkse wetenswaardigheden, meestal over zijn drukke bestaan. Soms volgt een uitnodiging om zijn huis te bezoeken. Daar laat hij geen twijfel bestaan: in dit huis ben ik de baas! Hij deelt de lakens uit en geeft zijn huisgenoten opdracht om de honden uit te laten. Die opdracht laat even weinig ruimte als zijn gebaar om naar buiten te komen. Ondertussen knuffelt hij zijn zus. Een vertederende combinatie van dominantie en fijngevoeligheid.


Een andere keer ontstaat het plan om samen te gaan hardlopen. Hij geniet zichtbaar. Na een paar honderd meter moet hij even pauzeren, maar uiteindelijk arriveren we op de brug over het Amsterdam - Rijnkanaal. En wéér geniet hij met volle teugen. Van de boten die passeren. Wat mooi om zo hoog boven die boten uit te torenen. Deze jongen houdt van het leven.


Weer een andere keer treft hij mij niet thuis. Waar is je man? zo vraagt hij aan mijn vrouw. Die is kennelijk toch net iets minder interessant voor hem dan ik. In niet mis te verstane bewoordingen laat hij haar weten: je moet de was nu niet ophangen, het gaat zo regenen en onweren. Het zal duidelijk zijn: die was verdwijnt van de lijn. En wel onmiddellijk. Kai knikt instemmend.


Lange tijd heb ik me verbeeld dat ik de enige ben met wie hij zo amicaal omgaat. Tot voor kort. Wij hadden een buurman op bezoek. Die begon een uitgebreid verhaal hoe enthousiast die Kai hem wel niet bejegende en hoe hij hem reeds van verre begroette. Ik hoorde dit verhaal aan, moest even slikken en realiseerde me meteen dat ik een illusie armer ben: ik ben niet de enige.


Desondanks: als ik Kai zie, word ik blij!



Paul Strijp, 30 juni 2017

woensdag 14 december 2016

Dick Geurts, creatieveling die weer snel een staartje moet laten groeien



Dat was best een overstap. Van het toenmalige ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) naar het machtige en steile ministerie van Financiën aan het Korte Voorhout in Den Haag. Met snelle en jonge ambtenaren in pak die –als een collega om vijf uur ’s middags naar huis ging- steevast riepen: “Hé, nu al naar huis? Een vrije dag zeker?” Dat was het klassieke beeld van Financiën. Tot ik ging solliciteren. En aan de andere kant van de tafel een alleraardigste man met een staartje trof. Dit was anti-Financiën! Dit kon helemaal niet en toch zat hij daar. Dick Geurts.




Dick bleef zitten waar hij zat

Van 1995 tot 2002 werkte ik regelmatig met Dick samen. Bij de Belastingdienst, onderdeel van Financiën. Dick was Dick. Met dat staartje dus en met zijn vulpen. Een dikke vulpen. Waarmee hij prachtige en onnavolgbare schema’s tekende. Het leken wel mandala’s. Dick ordende zijn gedachten in artistieke schema’s en bleek in staat om zijn omgeving daarin mee te nemen. Sterker, die omgeving smulde daarvan. Dick was ook communicatie. Communicatie was zijn ding. Zijn professie, zijn vakmanschap en passie. Volgens mij is hem nooit een functie in een ander vakgebied aangeboden. Dat had hij best gekund, want hij is über-intelligent. Maar Dick zou daar gewoon geen zin in hebben gehad. En omdat hij excelleerde in communicatie en voor de Belastingdienst onmisbaar was, ging de personeelsmobiliteit aan deze man voorbij. Dick bleef dus al die jaren zitten waar hij zat. En werd iedere keer wéér enthousiast van die communicatie. Alsof hij een nieuwkomer was in dit vakgebied, alsof hij de schoonheid van het vak telkens voor het eerst ervoer. Een kind dat in zijn spel genoeg had aan zichzelf. Hij vond zichzelf telkens opnieuw uit als communicatieprofessional.


Creativiteit als asset

Dick was Dick, jazeker. En Dick was communicatie, óók dat. Maar Dick was toch vooral creativiteit. Dat lijkt een wat terloopse eigenschap van iemand in een organisatie als de Belastingdienst. Mooi meegenomen als je een creatieveling in de gelederen hebt, maar wat moet je er nu helemaal mee als je vooral moet heffen en innen? Zo niet bij Dick. In mijn jaren heeft de Belastingdienst die kwaliteit van Dick altijd op waarde geschat en ten volle benut. Creativiteit als asset zouden we tegenwoordig zeggen. Bij de introductie van het nieuwe belastingstelsel rond de eeuwwisseling haalde Jenny Thunnissen, toenmalig directeur-generaal, als eerste onze Dick van stal. Om te voorkomen dat al die belastinginspecteurs gingen kwijlen bij dat nieuwe stelsel en meteen de meest ingenieuze fiscale hoogstandjes gingen bedenken,  moest Dick eerst maar eens de gedachten losweken. Zou Dick het eeuwige leven hebben binnen de Belastingdienst (en wie zou hem dat niet gunnen?) dan zou hij vast een prominente rol krijgen toebedeeld bij het zoeken van een antwoord op de moderne technologische ontwikkelingen. Zoals het Ethereum.  Dat zijn digitale munten waarmee zonder tussenkomst van een derde partij transacties en contracten afgesloten kunnen worden. Ik kan me zo voorstellen dat ze daar bij de Belastingdienst wel eens wakker van liggen. De mandala’s van Dick gaan ze nog missen.


Beleidsnota’s uit de DDR

Dick wist die creativiteit te koppelen aan een zeer begenadigd analytisch vermogen. Waardoor elk beleidsstuk van zijn hand behalve speels ook nog eens een keer akelig rationeel kon zijn. Klassiek en berucht was zijn communicatiearchitectuur. Dat was een bouwwerk, noem het gerust een design, waarbij de regeringsleiders van de voormalige DDR hun vingers zouden hebben afgelikt. De architectuur bood je voor werkelijk elk denkbare situatie een passend communicatie-instrument. Via een ingenieus algoritme bedacht Dick voor je of je een folder of een tv-spotje moest inzetten. Zijn architectuur was zogenaamd vrijwillig maar de minutieuze uitwerking verried een dwingende kracht. Wee degene die een ander instrument durfde te kiezen als wat Dick je zogenaamd 'adviseerde'.  Zelden heb ik een communicatie-beleidsstuk  meegemaakt met een grotere impact. Dick bleek over het vermogen te beschikken om hele directies in de Belastingdienst in de gordijnen te jagen. Mensen werden witheet bij het horen van het woord architectuur, raakten er emotioneel van. Wat Dick allemaal bedacht had, dat ging dus ergens over. De architectuur is er volgens mij nooit gekomen, Dick zal dat ontkennen, maar het was één van de knapste intellectuele producten die ik ooit gezien heb.


Dick, graag weer een staartje

Dick was ook een bindende factor. De afdeling waar hij samen met Han Elbers leiding aan gaf, de afdeling Diensten en Communicatie, was een bonte verzameling collega’s. Met echte projectmanagers, wat beleidstypen zoals ik en een aantal mensen in de ondersteunende sfeer. Dick was er altijd voor iedereen. Toonde zich steun, toeverlaat en gesprekspartner. Vooral voor wijlen Richard Gilhuys, een zeer begenadigd maar ook wat kwetsbare man. Dick bekommerde zich om Richard.

Dick was Dick, jazeker. En Dick was communicatie en creativiteit, óók dat. Maar Dick was toch vooral gewoon een heel aardige man. Eén van de kleurrijkste figuren die ik in mijn loopbaan heb ontmoet. Daar had hij dat staartje niet voor nodig, hoewel ik diep in mijn hart wel hoop dat hij zich dat de komende jaren weer laat aanmeten.

Paul Strijp, 11 november 2016

vrijdag 26 augustus 2016

Jac. Maas, intellectueel die de taal van de straat spreekt


De schrik sloeg mij om het hart. De agenda's van die bestuurders zaten werkelijk stampvol. Overdag vergaderen, 's avonds vergaderen. En in het weekend speeltuinen of buurthuizen bezoeken. Agenda's die elke dag bezet waren, van negen uur 's ochtends tot elf uur 's avonds. Als nieuwe sectormanager Welzijn en Onderwijs werd ik geacht hen te ondersteunen. "Jac., verwacht je dat ik onze wethouders elk uur van de dag en avond vergezel?", vroeg ik enigszins bezorgd aan mijn nieuwe baas. Dat zou immers een pittig klusje worden. "Het enige wat ik van jou verwacht is dat je fit op je werk verschijnt", luidde zijn afgemeten antwoord.


Taboe-doorbrekend

Een antwoord dat mij altijd is bijgebleven. Achter dat antwoord schuilt namelijk een waardevol mensbeeld: het Griekse mens sane in corpore sano. Een gezond lichaam in een gezonde geest. Je kunt beter veertig uur per week fit zijn dan je tachtig uur van de ene vergadering naar de andere slepen. Het voelde als een opluchting dat een topmanager dat eens gewoon hardop zei. Taboe-doorbrekend ook wel.







Jac. Maas. Twee jaar was hij mijn baas. Bij het stadsdeel Amsterdam-Noord in de jaren 2002 tot 2004. Zeeuw van geboorte, inmiddels al weer een aantal jaren met pensioen. We zien elkaar nog wel eens. Eén of twee keer per jaar, meestal bij café Hesp aan de Amstel. Dan nemen we de toestand in de wereld door. En telkens realiseer ik mij weer: van die man heb ik een paar belangrijke zaken geleerd. Inzichten die ik in mijn werk als leidinggevende ook probeer toe te passen. En als ik dat doe, zegt een stemmetje in mij: "Paul, niet doen alsof dit een originele gedachte is, die heb je van Jac."


Ga toch gewoon naar huis, mens

Eerst nog maar eens terug naar die fitheid. Het klinkt zo vanzelfsprekend, een baas die zegt dat hij dat belangrijk vindt. Maar dat is het natuurlijk niet. Hoeveel topmanagers zijn er immers niet die aan het einde van hun loopbaan zelf he-le-maal uitgewoond zijn? Gewoon "op". Overgewicht, ogen op de knieën, uitgeteld. En soms zelfs een hartaanval een jaar na hun pensioen. Daar hoeven we bij Jac. niet bang voor te zijn. Hij ziet er altijd puik en afgetraind uit.

Als ik vraag hoe het met hem gaat, is de lichamelijke conditie ook altijd zijn eerste referentie. "Conditie is goed, Paul. Beetje verkouden, maar dat mag geen naam hebben". Zijn verleden als triatleet heeft hem een ijzeren basisconditie bezorgd. Vanuit dat verleden toont hij zich ook altijd geïnteresseerd in de atletiek van mijn dochters. Ook moet ik nog wel eens glimlachen om zijn verzuchting naar een wethouder die snipverkouden op het werk zat: "Ga toch gewoon naar huis, mens". Zoals hij ook altijd tegen mij zei: "Tien weken werken, Paul. Dan een weekje rust".


Oude rot in het vak


In deze functie moet je niet bang zijn om te sneuvelen. Zijn tweede professionele levensles. Enige toelichting is hier op zijn plaats. We schrijven de eerste jaren van het vorige decennium, het politieke landschap wordt vol enthousiasme omgeploegd. Op landelijk niveau ruimt Pim de puinhopen van acht jaar Paars op, lokaal dragen de Leefbaren in steeds meer gemeenten bestuurlijke verantwoordelijkheid. Zo ook in het stadsdeel Amsterdam-Noord. Daar wordt een zittend bestuur van een aantal oudgediende partijen op een bepaald niet-zachtzinnige wijze aan de kant geschoven.




Jac. was secretaris van dat bestuur. Zoals hij dat al vele jaren was, ook van voorgaande besturen. Niet alleen in Noord overigens, maar ook in Zuid. Een oude rot in het vak zogezegd. Maar in het politieke klimaat van vergaande polarisatie dat ons land toen in zijn greep had, gold Jac. daarmee als een exponent van de oude politiek. En van zo iemand moest afscheid genomen worden.


Voor mij was dat een leerzame, maar toch ook best een schokkende ervaring. Als hoogste ambtenaar kun je zo maar sneuvelen. Altijd geweten, maar nog nooit eerder meegemaakt. Er heerste een mysterieuze stilte. Achter de schermen werd gewerkt aan zijn vertrek. Er werd niet over gesproken, niemand wist het, maar iedereen voelde het. Tot het moment waarop de stadsdeelvoorzitter meedeelde dat het bestuur haar vertrouwen in de secretaris verloren had. Het doek was gevallen.



Met opgeheven hoofd


En Jac. zelf? In die tijd deelde ik een kamer met hem, we spraken elkaar vrijwel dagelijks. Maar niet over deze kwestie. Tot het laatst bleef hij netjes zijn werk doen. Ogenschijnlijk onaangedaan. In het volle besef dat het als secretaris zo maar afgelopen kan zijn. En zoals hij wel eens tegen mij gezegd had: "Paul, wees daar niet bang voor!". Wat bedoelde hij daar mee? Het kan gebeuren dat je als hoogste ambtenaar niet meer bij je bestuur past. Schrik daar niet van, blijf jezelf. Doe geen gekke dingen omwille van je lijfsbehoud. Probeer niet te overleven ten koste van jezelf. Wees niet krampachtig. Een wijsheid die je een zekere onafhankelijkheid, ontspanning en autonomie oplevert, ook als je niet op het hoogste niveau werkzaam bent.

En dus vertrok hij. Met opgeheven hoofd. Geen publiekelijk natrappen. Every inch a gentleman. Later vertrouwde hij me ook nog wel eens toe: "Paul, zorg dat je je eigen verdediging op orde hebt". Vrij vertaald: Zorg voor een goede advocaat!

Ogenschijnlijk onaangedaan dus. Maar vanzelfsprekend moet dat vertrek hem pijn hebben gedaan. Het was "zijn" Noord. Daar was hij trots op. Moderne organisatie, modern overheidsgebouw. Een gebouw met véél kunst, daar had Jac. als kunstliefhebber wel voor gezorgd. En een gebouw zonder stofnesten of andere troep in de plinten. Daar zag hij -samen met PvdA-voorzitter Hans Oosterbaan met wie hij jarenlang een tandem vormde- hoogstpersoonlijk op toe. Een gebouw ook waar hij zich sterk voor had gemaakt. Het liefst had hij dat Het Huis van de Democratie genoemd, maar om de een of andere reden heeft die naam het nooit gehaald.



Over Stefan Zweig en het huisvuil in de wijk


Jac. was het boegbeeld van de organisatie. Hij beschikte over een aantal kwaliteiten waardoor hij die rol met verve kon vervullen.

Allereerst: Jac. is zowel intellectueel als uitvoerder. Dat intellectuele, ik merkte het onlangs nog. Ter gelegenheid van mijn verjaardag kreeg ik van hem een boek van Stefan Zweig cadeau. Toch niet bepaald lectuur die op de voorste planken van een kiosk te vinden is. Kort daarvoor had ik hem nog gesproken bij een bijeenkomst over het leven en werk van Jan Amos Comenius. Een Tsjechisch pedagoog die ook niet elke dag onderwerp van gesprek is bij de talkshows. Om mij een week later een proeve over het nut en de onzin van referenda toe te sturen. Intellectueel ook zeer de moeite waard, ik stimuleerde hem nog om de opiniepagina van een kwaliteitskrant te zoeken.

Maar diep in zijn hart is Jac. eigenlijk een uitvoerder. Dat was ook zijn openingszin op mijn eerste werkdag: "Paul, nota's schrijven kunnen we allemaal, het gaat hier om de uitvoering". Daar mocht géén misverstand over bestaan, zeker niet voor mij als jongen die van een ministerie kwam. Zelf had hij ook nog een aantal jaren bij een departement gewerkt. Maar dat was toch niet zijn habitat. Hier in Amsterdam-Noord kon hij zijn hart ophalen. En dan vooral met de stedelijke vernieuwing. Hele wijken moesten op de schop.

Met zijn intellectuele vermogens en zijn passie voor de uitvoering was hij zowel gesprekspartner voor de hoogopgeleide beleidsadviseurs als voor de jongens van de werkvloer. Zeg maar: voor de mannen van het huisvuil, de begraafplaats, de sportvelden en het buurtbeheer. Die spreken een andere taal. Niet altijd even fijnzinnig of genuanceerd, vooral géén beleidsjargon. Jac. sprak en verstond ook hun taal. Zoals burgemeester Eberhard van der Laan van Amsterdam dat ook doet. Van der Laan riep eens naar een bewoner op een inspraakavond: je bent zelf een ouwehoer. Dat heb ik Jac. nooit horen zeggen. Maar als de ondernemingsraad het te gortig maakte was hij niet te beroerd om haar in stevige termen van repliek te dienen en zo nodig het overleg te staken. Dat dwong respect af.



Candy en Hans met de kerst


Jac. beschikt nog over een andere eigenschap die hem tot boegbeeld maakte. Hij is een sfeermaker. In de eerste twee weken bij mijn nieuwe werkgever had ik al vijf restaurants in Amsterdam bezocht. Bestuurswisselingen, afscheid van mensen: Jac. liet geen gelegenheid voorbij gaan. Wat er echt toe deed, moest gevierd worden. Met kerst zorgde hij ervoor dat bestuursleden en leden van zijn managementteam een boek kregen. Met diezelfde kerst liet hij Candy en Hans Dulfer optreden voor een swingend feest voor het personeel. Als hij dan zelf speechte, was ik altijd onder de indruk van het gemak waarmee hij dat deed. Steevast klonken in die speeches twee woorden door: prettig werkklimaat. Dat vond hij belangrijk.

Ook in het managementteam dat hij voorzat en waarvan ik deel uitmaakte, zorgde hij voor sfeer. Altijd ontspannen. Maar soms kon hij witheet worden. Dan begon hij met zijn vingers op tafel te tikken. Tergend langzaam. Zoals die keren dat er cijfers over het ziekteverzuim werden gepresenteerd. Voor zijn gevoel waren die uit hun context gehaald. Dat ervoer hij als onterechte kritiek. Waar hij ook gevoelig voor was, waren de bestuurlijke verhoudingen tussen de stadsdelen en de centrale stad. Hij stond voor de autonomie van de stadsdelen. Een legendarische uitspraak: "Met de gemeentesecretaris van Amsterdam heb ik evenveel te maken als met die van Almere". Voor de goede verstaander: helemaal niets dus. Wat niet wegnam dat hij het met de secretaris van Amsterdam op een constructieve wijze samenwerkte en overleg voerde. Maar toch, het moest even gezegd.





Op het gemak bij Jac.

Ter gelegenheid van zijn afscheid bij het stadsdeel Amsterdam-Noord mocht ik samen met een collega een liber amicorum voor hem samenstellen. Onlangs ging dat nog eens door mijn handen. Het was vooral een zinnetje van de toenmalige voorzitster van de ondernemingsraad dat mij trof: "Jac., mensen voelden zich bij jou op hun gemak".


Paul Strijp, 19 augustus 2016


woensdag 23 december 2015

Henk Strijbis, doe maar gewoon-automonteur in de Horstermeer



Acht jaar geleden trok hij een bedenkelijk gezicht. "Houd er rekening mee dat je uitlaat volgend jaar aan vervanging toe is. Dat kan best een fikse kostenpost worden". Als Henk dat zegt, kun je maar beter wat geld opzij leggen. Want Henk is een vakman. Maar nu, acht jaar later, weten we dat Henk niet alléén een vakman is. Henk is namelijk ook een goudeerlijke man. Waarom? Elk jaar inspecteerde hij onze auto. En elk jaar constateerde hij, met datzelfde bedenkelijke gezicht: "Nou, die uitlaat, die kan nog wel héél even mee. Maar volgend jaar moet er echt een nieuwe onder"!. Die nieuwe uitlaat, die kwam er nooit. Gewoon niet nodig. Kom daar eens om in de autobranche!


Henk Strijbis. Eigenaar van een all round garage bedrijf voor alle merken, Auto Service Nieuw Walden in Nederhorst den Berg. Gelegen ergens op een verlaten bedrijventerrein in de Horstermeerpolder. Je moet weten waar hij zit, want anders vind je hem niet. Een enkele keer moet ik er 's avonds mijn auto achterlaten voor een onderhoudsbeurt waar Henk de volgende dag mee begint. Dan waan je je toch echt even alléén op de wereld.


Dochter in overall

Zijn twee kinderen werken ook in de garage. Eén van beiden is zijn dochter, Chantal. Zij staat je altijd allervriendelijkst te woord. Gekleed in een blauwe overall. Onlangs liet Henk mij weten dat zij het bedrijf te zijner tijd niet gaat overnemen van haar vader. Ik bespeurde een licht gevoel van teleurstelling bij mezelf. Dat had me wel heel mooi geleken. Een vrouw aan het hoofd van een garagebedrijf. Ik weet niet of zij daarmee de eerste van Nederland geweest was, maar ik weet wel dat Chantal dat heel goed gedaan zou hebben. Misschien bedenkt zij zich nog. Ergens hoop ik het.





Henk is auto

We zijn al heel wat jaartjes klant bij Henk. Ik zou niet eens weten hoeveel precies. Maar dat zijn er in elk geval méér dan tien. Daarvóór zaten we bij een nabij gelegen garagebedrijf. Die eigenaar kon de elektronische ontwikkelingen niet meer bijbenen. En verwees ons naar Auto Service Nieuw Walden. Daar zijn we nooit meer weggegaan. Een wereld van verschil met de onderhoudsbeurten bij de grote dealerbedrijven. Niet alleen in prijs, maar vooral in vriendelijkheid.

Dat bijhouden van de elektronische ontwikkelingen is wel nodig omdat een auto, zo verzekert Henk mij telkens weer, steeds meer van techniek aan elkaar hangt. Zonder technische kennis géén automonteur. Henk kan die ontwikkelingen wèl volgen. Moeiteloos zelfs. Ook al is hij op een zekere leeftijd, die cursussen doet hij er gewoon bij. In de avonduren. Volgens mij met speels gemak, ik heb hem er nooit over horen klagen. Sterker, ik denk dat hij die bijscholing zelfs met veel plezier volgt. Henk is namelijk gewoon auto. En een beetje motor, want motorrijden is zijn grootste passie. Klagen doet hij overigens helemaal nooit. Ook niet tijdens de economische crisis. De klanten bleven komen, Henk kwam om in het werk.


Met kloppend hart en zweet op het voorhoofd

In principe komen we twee keer per jaar bij hem. Voor een grote en een kleine onderhoudsbeurt, waarbij één van beide wordt gecombineerd met een APK. Maar zoals dat gaat, tussendoor laat de auto je ook nog wel eens in de steek. En dat soms op hoogst ongelukkige momenten. Momenten waarop je denkt: "neen, nù géén pech!". Vrijdagmiddag half vijf, vlak vóór het vertrek voor een zomervakantie naar Frankrijk. Momenten waarop de gemiddelde garage zich opmaakt voor een weekend. Op die momenten dus, op die momenten is Henk er voor je. 

Zoals vorig jaar. Je durft het hem bijna niet te vragen, want je weet dat hij het druk heeft. En dat ook hij naar zijn weekend uitziet. Maar du moment dat hij je penibele situatie gehoord heeft, gaat hij aan de slag. Dan ga jij vóór. En werkt hij zó lang door tot dat kreng weer gewoon rijdt. Zodat je op vrijdagavond naar je vakantieadres kunt vertrekken. En komt hij, met kloppend hart en zweet op zijn voorhoofd, de auto thuis bij je afleveren. Als je hem dan later vertelt dat je tijdens de vakantie wéér pech hebt gehad met weer een ander onderdeel, voelt hij zich bezwaard. Dat kun je merken. Hij kan daar niets aan doen, maar toch vindt hij dat dan heel rot voor je.




Met een lampje onder de motorkap

En onlangs was hij er wéér. Onze auto was op. Henk betwijfelde zelfs of ons karretje bij de verkoop in de Oekraïne überhaupt nog wel ièts zou opleveren. Nou, dan is een auto ècht versleten. We stonden dus voor de opdracht om een nieuwe aan te schaffen. Dan beland je in situaties waarin je moet onderhandelen met ervaren verkopers. Situaties waarin je toch vaak het onderspit delft. Welnu, dat dolven wij niet. Henk bood namelijk aan om met ons mee te gaan. Dat werd een belevenis.

De autoverkoper kreeg alle hoeken van de kamer te zien. Op een beleefde manier, dat wel, maar hij zag die hoeken wel. Henk had namelijk een lampje meegenomen. En speurde daarmee onder de motorkap, op zoek naar afwijkende plekjes of defecte onderdelen. Die waren er. De verkoper werd wit om de neus, telkens ging de verkoopprijs iets naar beneden. Want dat konden we ook aan Henk overlaten, het onderhandelen. Kort en goed: wij waren zeer ingenomen met deze deal.  


Een praatje met de klanten

Ik breng mijn auto voor een kleine beurt. Hij begroet je. Op zijn gemak begint hij aan de klus, je kunt gewoon wachten en een kopje koffie drinken. Ondertussen arriveren andere klanten. Ook met hen maakt hij eerst even een praatje. Nooit paniek, heel ontspannen allemaal.

Ik vraag me af hoe dat moet als hij er ooit mee ophoudt.


Paul Strijp, 21 december 2015