Translate

vrijdag 30 juni 2017

Kai de Jong, vertederende combinatie van dominantie en fijngevoeligheid



Als hij je huis passeert, klopt hij op het raam. Kom even naar buiten, gebaart hij dan. Dat gebaar is krachtig en laat weinig ruimte, je zou niet binnen durven blijven. Eenmaal buiten begroet hij je kameraadschappelijk. Alsof hij je al jarenlang kent. Terwijl dat toch echt niet het geval is.




We wisselen wat dagelijkse wetenswaardigheden, meestal over zijn drukke bestaan. Soms volgt een uitnodiging om zijn huis te bezoeken. Daar laat hij geen twijfel bestaan: in dit huis ben ik de baas! Hij deelt de lakens uit en geeft zijn huisgenoten opdracht om de honden uit te laten. Die opdracht laat even weinig ruimte als zijn gebaar om naar buiten te komen. Ondertussen knuffelt hij zijn zus. Een vertederende combinatie van dominantie en fijngevoeligheid.


Een andere keer ontstaat het plan om samen te gaan hardlopen. Hij geniet zichtbaar. Na een paar honderd meter moet hij even pauzeren, maar uiteindelijk arriveren we op de brug over het Amsterdam - Rijnkanaal. En wéér geniet hij met volle teugen. Van de boten die passeren. Wat mooi om zo hoog boven die boten uit te torenen. Deze jongen houdt van het leven.


Weer een andere keer treft hij mij niet thuis. Waar is je man? zo vraagt hij aan mijn vrouw. Die is kennelijk toch net iets minder interessant voor hem dan ik. In niet mis te verstane bewoordingen laat hij haar weten: je moet de was nu niet ophangen, het gaat zo regenen en onweren. Het zal duidelijk zijn: die was verdwijnt van de lijn. En wel onmiddellijk. Kai knikt instemmend.


Lange tijd heb ik me verbeeld dat ik de enige ben met wie hij zo amicaal omgaat. Tot voor kort. Wij hadden een buurman op bezoek. Die begon een uitgebreid verhaal hoe enthousiast die Kai hem wel niet bejegende en hoe hij hem reeds van verre begroette. Ik hoorde dit verhaal aan, moest even slikken en realiseerde me meteen dat ik een illusie armer ben: ik ben niet de enige.


Desondanks: als ik Kai zie, word ik blij!



Paul Strijp, 30 juni 2017

woensdag 14 december 2016

Dick Geurts, creatieveling die weer snel een staartje moet laten groeien



Dat was best een overstap. Van het toenmalige ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) naar het machtige en steile ministerie van Financiën aan het Korte Voorhout in Den Haag. Met snelle en jonge ambtenaren in pak die –als een collega om vijf uur ’s middags naar huis ging- steevast riepen: “Hé, nu al naar huis? Een vrije dag zeker?” Dat was het klassieke beeld van Financiën. Tot ik ging solliciteren. En aan de andere kant van de tafel een alleraardigste man met een staartje trof. Dit was anti-Financiën! Dit kon helemaal niet en toch zat hij daar. Dick Geurts.




Dick bleef zitten waar hij zat

Van 1995 tot 2002 werkte ik regelmatig met Dick samen. Bij de Belastingdienst, onderdeel van Financiën. Dick was Dick. Met dat staartje dus en met zijn vulpen. Een dikke vulpen. Waarmee hij prachtige en onnavolgbare schema’s tekende. Het leken wel mandala’s. Dick ordende zijn gedachten in artistieke schema’s en bleek in staat om zijn omgeving daarin mee te nemen. Sterker, die omgeving smulde daarvan. Dick was ook communicatie. Communicatie was zijn ding. Zijn professie, zijn vakmanschap en passie. Volgens mij is hem nooit een functie in een ander vakgebied aangeboden. Dat had hij best gekund, want hij is über-intelligent. Maar Dick zou daar gewoon geen zin in hebben gehad. En omdat hij excelleerde in communicatie en voor de Belastingdienst onmisbaar was, ging de personeelsmobiliteit aan deze man voorbij. Dick bleef dus al die jaren zitten waar hij zat. En werd iedere keer wéér enthousiast van die communicatie. Alsof hij een nieuwkomer was in dit vakgebied, alsof hij de schoonheid van het vak telkens voor het eerst ervoer. Een kind dat in zijn spel genoeg had aan zichzelf. Hij vond zichzelf telkens opnieuw uit als communicatieprofessional.


Creativiteit als asset

Dick was Dick, jazeker. En Dick was communicatie, óók dat. Maar Dick was toch vooral creativiteit. Dat lijkt een wat terloopse eigenschap van iemand in een organisatie als de Belastingdienst. Mooi meegenomen als je een creatieveling in de gelederen hebt, maar wat moet je er nu helemaal mee als je vooral moet heffen en innen? Zo niet bij Dick. In mijn jaren heeft de Belastingdienst die kwaliteit van Dick altijd op waarde geschat en ten volle benut. Creativiteit als asset zouden we tegenwoordig zeggen. Bij de introductie van het nieuwe belastingstelsel rond de eeuwwisseling haalde Jenny Thunnissen, toenmalig directeur-generaal, als eerste onze Dick van stal. Om te voorkomen dat al die belastinginspecteurs gingen kwijlen bij dat nieuwe stelsel en meteen de meest ingenieuze fiscale hoogstandjes gingen bedenken,  moest Dick eerst maar eens de gedachten losweken. Zou Dick het eeuwige leven hebben binnen de Belastingdienst (en wie zou hem dat niet gunnen?) dan zou hij vast een prominente rol krijgen toebedeeld bij het zoeken van een antwoord op de moderne technologische ontwikkelingen. Zoals het Ethereum.  Dat zijn digitale munten waarmee zonder tussenkomst van een derde partij transacties en contracten afgesloten kunnen worden. Ik kan me zo voorstellen dat ze daar bij de Belastingdienst wel eens wakker van liggen. De mandala’s van Dick gaan ze nog missen.


Beleidsnota’s uit de DDR

Dick wist die creativiteit te koppelen aan een zeer begenadigd analytisch vermogen. Waardoor elk beleidsstuk van zijn hand behalve speels ook nog eens een keer akelig rationeel kon zijn. Klassiek en berucht was zijn communicatiearchitectuur. Dat was een bouwwerk, noem het gerust een design, waarbij de regeringsleiders van de voormalige DDR hun vingers zouden hebben afgelikt. De architectuur bood je voor werkelijk elk denkbare situatie een passend communicatie-instrument. Via een ingenieus algoritme bedacht Dick voor je of je een folder of een tv-spotje moest inzetten. Zijn architectuur was zogenaamd vrijwillig maar de minutieuze uitwerking verried een dwingende kracht. Wee degene die een ander instrument durfde te kiezen als wat Dick je zogenaamd 'adviseerde'.  Zelden heb ik een communicatie-beleidsstuk  meegemaakt met een grotere impact. Dick bleek over het vermogen te beschikken om hele directies in de Belastingdienst in de gordijnen te jagen. Mensen werden witheet bij het horen van het woord architectuur, raakten er emotioneel van. Wat Dick allemaal bedacht had, dat ging dus ergens over. De architectuur is er volgens mij nooit gekomen, Dick zal dat ontkennen, maar het was één van de knapste intellectuele producten die ik ooit gezien heb.


Dick, graag weer een staartje

Dick was ook een bindende factor. De afdeling waar hij samen met Han Elbers leiding aan gaf, de afdeling Diensten en Communicatie, was een bonte verzameling collega’s. Met echte projectmanagers, wat beleidstypen zoals ik en een aantal mensen in de ondersteunende sfeer. Dick was er altijd voor iedereen. Toonde zich steun, toeverlaat en gesprekspartner. Vooral voor wijlen Richard Gilhuys, een zeer begenadigd maar ook wat kwetsbare man. Dick bekommerde zich om Richard.

Dick was Dick, jazeker. En Dick was communicatie en creativiteit, óók dat. Maar Dick was toch vooral gewoon een heel aardige man. Eén van de kleurrijkste figuren die ik in mijn loopbaan heb ontmoet. Daar had hij dat staartje niet voor nodig, hoewel ik diep in mijn hart wel hoop dat hij zich dat de komende jaren weer laat aanmeten.

Paul Strijp, 11 november 2016

vrijdag 26 augustus 2016

Jac. Maas, intellectueel die de taal van de straat spreekt


De schrik sloeg mij om het hart. De agenda's van die bestuurders zaten werkelijk stampvol. Overdag vergaderen, 's avonds vergaderen. En in het weekend speeltuinen of buurthuizen bezoeken. Agenda's die elke dag bezet waren, van negen uur 's ochtends tot elf uur 's avonds. Als nieuwe sectormanager Welzijn en Onderwijs werd ik geacht hen te ondersteunen. "Jac., verwacht je dat ik onze wethouders elk uur van de dag en avond vergezel?", vroeg ik enigszins bezorgd aan mijn nieuwe baas. Dat zou immers een pittig klusje worden. "Het enige wat ik van jou verwacht is dat je fit op je werk verschijnt", luidde zijn afgemeten antwoord.


Taboe-doorbrekend

Een antwoord dat mij altijd is bijgebleven. Achter dat antwoord schuilt namelijk een waardevol mensbeeld: het Griekse mens sane in corpore sano. Een gezond lichaam in een gezonde geest. Je kunt beter veertig uur per week fit zijn dan je tachtig uur van de ene vergadering naar de andere slepen. Het voelde als een opluchting dat een topmanager dat eens gewoon hardop zei. Taboe-doorbrekend ook wel.







Jac. Maas. Twee jaar was hij mijn baas. Bij het stadsdeel Amsterdam-Noord in de jaren 2002 tot 2004. Zeeuw van geboorte, inmiddels al weer een aantal jaren met pensioen. We zien elkaar nog wel eens. Eén of twee keer per jaar, meestal bij café Hesp aan de Amstel. Dan nemen we de toestand in de wereld door. En telkens realiseer ik mij weer: van die man heb ik een paar belangrijke zaken geleerd. Inzichten die ik in mijn werk als leidinggevende ook probeer toe te passen. En als ik dat doe, zegt een stemmetje in mij: "Paul, niet doen alsof dit een originele gedachte is, die heb je van Jac."


Ga toch gewoon naar huis, mens

Eerst nog maar eens terug naar die fitheid. Het klinkt zo vanzelfsprekend, een baas die zegt dat hij dat belangrijk vindt. Maar dat is het natuurlijk niet. Hoeveel topmanagers zijn er immers niet die aan het einde van hun loopbaan zelf he-le-maal uitgewoond zijn? Gewoon "op". Overgewicht, ogen op de knieën, uitgeteld. En soms zelfs een hartaanval een jaar na hun pensioen. Daar hoeven we bij Jac. niet bang voor te zijn. Hij ziet er altijd puik en afgetraind uit.

Als ik vraag hoe het met hem gaat, is de lichamelijke conditie ook altijd zijn eerste referentie. "Conditie is goed, Paul. Beetje verkouden, maar dat mag geen naam hebben". Zijn verleden als triatleet heeft hem een ijzeren basisconditie bezorgd. Vanuit dat verleden toont hij zich ook altijd geïnteresseerd in de atletiek van mijn dochters. Ook moet ik nog wel eens glimlachen om zijn verzuchting naar een wethouder die snipverkouden op het werk zat: "Ga toch gewoon naar huis, mens". Zoals hij ook altijd tegen mij zei: "Tien weken werken, Paul. Dan een weekje rust".


Oude rot in het vak


In deze functie moet je niet bang zijn om te sneuvelen. Zijn tweede professionele levensles. Enige toelichting is hier op zijn plaats. We schrijven de eerste jaren van het vorige decennium, het politieke landschap wordt vol enthousiasme omgeploegd. Op landelijk niveau ruimt Pim de puinhopen van acht jaar Paars op, lokaal dragen de Leefbaren in steeds meer gemeenten bestuurlijke verantwoordelijkheid. Zo ook in het stadsdeel Amsterdam-Noord. Daar wordt een zittend bestuur van een aantal oudgediende partijen op een bepaald niet-zachtzinnige wijze aan de kant geschoven.




Jac. was secretaris van dat bestuur. Zoals hij dat al vele jaren was, ook van voorgaande besturen. Niet alleen in Noord overigens, maar ook in Zuid. Een oude rot in het vak zogezegd. Maar in het politieke klimaat van vergaande polarisatie dat ons land toen in zijn greep had, gold Jac. daarmee als een exponent van de oude politiek. En van zo iemand moest afscheid genomen worden.


Voor mij was dat een leerzame, maar toch ook best een schokkende ervaring. Als hoogste ambtenaar kun je zo maar sneuvelen. Altijd geweten, maar nog nooit eerder meegemaakt. Er heerste een mysterieuze stilte. Achter de schermen werd gewerkt aan zijn vertrek. Er werd niet over gesproken, niemand wist het, maar iedereen voelde het. Tot het moment waarop de stadsdeelvoorzitter meedeelde dat het bestuur haar vertrouwen in de secretaris verloren had. Het doek was gevallen.



Met opgeheven hoofd


En Jac. zelf? In die tijd deelde ik een kamer met hem, we spraken elkaar vrijwel dagelijks. Maar niet over deze kwestie. Tot het laatst bleef hij netjes zijn werk doen. Ogenschijnlijk onaangedaan. In het volle besef dat het als secretaris zo maar afgelopen kan zijn. En zoals hij wel eens tegen mij gezegd had: "Paul, wees daar niet bang voor!". Wat bedoelde hij daar mee? Het kan gebeuren dat je als hoogste ambtenaar niet meer bij je bestuur past. Schrik daar niet van, blijf jezelf. Doe geen gekke dingen omwille van je lijfsbehoud. Probeer niet te overleven ten koste van jezelf. Wees niet krampachtig. Een wijsheid die je een zekere onafhankelijkheid, ontspanning en autonomie oplevert, ook als je niet op het hoogste niveau werkzaam bent.

En dus vertrok hij. Met opgeheven hoofd. Geen publiekelijk natrappen. Every inch a gentleman. Later vertrouwde hij me ook nog wel eens toe: "Paul, zorg dat je je eigen verdediging op orde hebt". Vrij vertaald: Zorg voor een goede advocaat!

Ogenschijnlijk onaangedaan dus. Maar vanzelfsprekend moet dat vertrek hem pijn hebben gedaan. Het was "zijn" Noord. Daar was hij trots op. Moderne organisatie, modern overheidsgebouw. Een gebouw met véél kunst, daar had Jac. als kunstliefhebber wel voor gezorgd. En een gebouw zonder stofnesten of andere troep in de plinten. Daar zag hij -samen met PvdA-voorzitter Hans Oosterbaan met wie hij jarenlang een tandem vormde- hoogstpersoonlijk op toe. Een gebouw ook waar hij zich sterk voor had gemaakt. Het liefst had hij dat Het Huis van de Democratie genoemd, maar om de een of andere reden heeft die naam het nooit gehaald.



Over Stefan Zweig en het huisvuil in de wijk


Jac. was het boegbeeld van de organisatie. Hij beschikte over een aantal kwaliteiten waardoor hij die rol met verve kon vervullen.

Allereerst: Jac. is zowel intellectueel als uitvoerder. Dat intellectuele, ik merkte het onlangs nog. Ter gelegenheid van mijn verjaardag kreeg ik van hem een boek van Stefan Zweig cadeau. Toch niet bepaald lectuur die op de voorste planken van een kiosk te vinden is. Kort daarvoor had ik hem nog gesproken bij een bijeenkomst over het leven en werk van Jan Amos Comenius. Een Tsjechisch pedagoog die ook niet elke dag onderwerp van gesprek is bij de talkshows. Om mij een week later een proeve over het nut en de onzin van referenda toe te sturen. Intellectueel ook zeer de moeite waard, ik stimuleerde hem nog om de opiniepagina van een kwaliteitskrant te zoeken.

Maar diep in zijn hart is Jac. eigenlijk een uitvoerder. Dat was ook zijn openingszin op mijn eerste werkdag: "Paul, nota's schrijven kunnen we allemaal, het gaat hier om de uitvoering". Daar mocht géén misverstand over bestaan, zeker niet voor mij als jongen die van een ministerie kwam. Zelf had hij ook nog een aantal jaren bij een departement gewerkt. Maar dat was toch niet zijn habitat. Hier in Amsterdam-Noord kon hij zijn hart ophalen. En dan vooral met de stedelijke vernieuwing. Hele wijken moesten op de schop.

Met zijn intellectuele vermogens en zijn passie voor de uitvoering was hij zowel gesprekspartner voor de hoogopgeleide beleidsadviseurs als voor de jongens van de werkvloer. Zeg maar: voor de mannen van het huisvuil, de begraafplaats, de sportvelden en het buurtbeheer. Die spreken een andere taal. Niet altijd even fijnzinnig of genuanceerd, vooral géén beleidsjargon. Jac. sprak en verstond ook hun taal. Zoals burgemeester Eberhard van der Laan van Amsterdam dat ook doet. Van der Laan riep eens naar een bewoner op een inspraakavond: je bent zelf een ouwehoer. Dat heb ik Jac. nooit horen zeggen. Maar als de ondernemingsraad het te gortig maakte was hij niet te beroerd om haar in stevige termen van repliek te dienen en zo nodig het overleg te staken. Dat dwong respect af.



Candy en Hans met de kerst


Jac. beschikt nog over een andere eigenschap die hem tot boegbeeld maakte. Hij is een sfeermaker. In de eerste twee weken bij mijn nieuwe werkgever had ik al vijf restaurants in Amsterdam bezocht. Bestuurswisselingen, afscheid van mensen: Jac. liet geen gelegenheid voorbij gaan. Wat er echt toe deed, moest gevierd worden. Met kerst zorgde hij ervoor dat bestuursleden en leden van zijn managementteam een boek kregen. Met diezelfde kerst liet hij Candy en Hans Dulfer optreden voor een swingend feest voor het personeel. Als hij dan zelf speechte, was ik altijd onder de indruk van het gemak waarmee hij dat deed. Steevast klonken in die speeches twee woorden door: prettig werkklimaat. Dat vond hij belangrijk.

Ook in het managementteam dat hij voorzat en waarvan ik deel uitmaakte, zorgde hij voor sfeer. Altijd ontspannen. Maar soms kon hij witheet worden. Dan begon hij met zijn vingers op tafel te tikken. Tergend langzaam. Zoals die keren dat er cijfers over het ziekteverzuim werden gepresenteerd. Voor zijn gevoel waren die uit hun context gehaald. Dat ervoer hij als onterechte kritiek. Waar hij ook gevoelig voor was, waren de bestuurlijke verhoudingen tussen de stadsdelen en de centrale stad. Hij stond voor de autonomie van de stadsdelen. Een legendarische uitspraak: "Met de gemeentesecretaris van Amsterdam heb ik evenveel te maken als met die van Almere". Voor de goede verstaander: helemaal niets dus. Wat niet wegnam dat hij het met de secretaris van Amsterdam op een constructieve wijze samenwerkte en overleg voerde. Maar toch, het moest even gezegd.





Op het gemak bij Jac.

Ter gelegenheid van zijn afscheid bij het stadsdeel Amsterdam-Noord mocht ik samen met een collega een liber amicorum voor hem samenstellen. Onlangs ging dat nog eens door mijn handen. Het was vooral een zinnetje van de toenmalige voorzitster van de ondernemingsraad dat mij trof: "Jac., mensen voelden zich bij jou op hun gemak".


Paul Strijp, 19 augustus 2016


woensdag 23 december 2015

Henk Strijbis, doe maar gewoon-automonteur in de Horstermeer



Acht jaar geleden trok hij een bedenkelijk gezicht. "Houd er rekening mee dat je uitlaat volgend jaar aan vervanging toe is. Dat kan best een fikse kostenpost worden". Als Henk dat zegt, kun je maar beter wat geld opzij leggen. Want Henk is een vakman. Maar nu, acht jaar later, weten we dat Henk niet alléén een vakman is. Henk is namelijk ook een goudeerlijke man. Waarom? Elk jaar inspecteerde hij onze auto. En elk jaar constateerde hij, met datzelfde bedenkelijke gezicht: "Nou, die uitlaat, die kan nog wel héél even mee. Maar volgend jaar moet er echt een nieuwe onder"!. Die nieuwe uitlaat, die kwam er nooit. Gewoon niet nodig. Kom daar eens om in de autobranche!


Henk Strijbis. Eigenaar van een all round garage bedrijf voor alle merken, Auto Service Nieuw Walden in Nederhorst den Berg. Gelegen ergens op een verlaten bedrijventerrein in de Horstermeerpolder. Je moet weten waar hij zit, want anders vind je hem niet. Een enkele keer moet ik er 's avonds mijn auto achterlaten voor een onderhoudsbeurt waar Henk de volgende dag mee begint. Dan waan je je toch echt even alléén op de wereld.


Dochter in overall

Zijn twee kinderen werken ook in de garage. Eén van beiden is zijn dochter, Chantal. Zij staat je altijd allervriendelijkst te woord. Gekleed in een blauwe overall. Onlangs liet Henk mij weten dat zij het bedrijf te zijner tijd niet gaat overnemen van haar vader. Ik bespeurde een licht gevoel van teleurstelling bij mezelf. Dat had me wel heel mooi geleken. Een vrouw aan het hoofd van een garagebedrijf. Ik weet niet of zij daarmee de eerste van Nederland geweest was, maar ik weet wel dat Chantal dat heel goed gedaan zou hebben. Misschien bedenkt zij zich nog. Ergens hoop ik het.





Henk is auto

We zijn al heel wat jaartjes klant bij Henk. Ik zou niet eens weten hoeveel precies. Maar dat zijn er in elk geval méér dan tien. Daarvóór zaten we bij een nabij gelegen garagebedrijf. Die eigenaar kon de elektronische ontwikkelingen niet meer bijbenen. En verwees ons naar Auto Service Nieuw Walden. Daar zijn we nooit meer weggegaan. Een wereld van verschil met de onderhoudsbeurten bij de grote dealerbedrijven. Niet alleen in prijs, maar vooral in vriendelijkheid.

Dat bijhouden van de elektronische ontwikkelingen is wel nodig omdat een auto, zo verzekert Henk mij telkens weer, steeds meer van techniek aan elkaar hangt. Zonder technische kennis géén automonteur. Henk kan die ontwikkelingen wèl volgen. Moeiteloos zelfs. Ook al is hij op een zekere leeftijd, die cursussen doet hij er gewoon bij. In de avonduren. Volgens mij met speels gemak, ik heb hem er nooit over horen klagen. Sterker, ik denk dat hij die bijscholing zelfs met veel plezier volgt. Henk is namelijk gewoon auto. En een beetje motor, want motorrijden is zijn grootste passie. Klagen doet hij overigens helemaal nooit. Ook niet tijdens de economische crisis. De klanten bleven komen, Henk kwam om in het werk.


Met kloppend hart en zweet op het voorhoofd

In principe komen we twee keer per jaar bij hem. Voor een grote en een kleine onderhoudsbeurt, waarbij één van beide wordt gecombineerd met een APK. Maar zoals dat gaat, tussendoor laat de auto je ook nog wel eens in de steek. En dat soms op hoogst ongelukkige momenten. Momenten waarop je denkt: "neen, nù géén pech!". Vrijdagmiddag half vijf, vlak vóór het vertrek voor een zomervakantie naar Frankrijk. Momenten waarop de gemiddelde garage zich opmaakt voor een weekend. Op die momenten dus, op die momenten is Henk er voor je. 

Zoals vorig jaar. Je durft het hem bijna niet te vragen, want je weet dat hij het druk heeft. En dat ook hij naar zijn weekend uitziet. Maar du moment dat hij je penibele situatie gehoord heeft, gaat hij aan de slag. Dan ga jij vóór. En werkt hij zó lang door tot dat kreng weer gewoon rijdt. Zodat je op vrijdagavond naar je vakantieadres kunt vertrekken. En komt hij, met kloppend hart en zweet op zijn voorhoofd, de auto thuis bij je afleveren. Als je hem dan later vertelt dat je tijdens de vakantie wéér pech hebt gehad met weer een ander onderdeel, voelt hij zich bezwaard. Dat kun je merken. Hij kan daar niets aan doen, maar toch vindt hij dat dan heel rot voor je.




Met een lampje onder de motorkap

En onlangs was hij er wéér. Onze auto was op. Henk betwijfelde zelfs of ons karretje bij de verkoop in de Oekraïne überhaupt nog wel ièts zou opleveren. Nou, dan is een auto ècht versleten. We stonden dus voor de opdracht om een nieuwe aan te schaffen. Dan beland je in situaties waarin je moet onderhandelen met ervaren verkopers. Situaties waarin je toch vaak het onderspit delft. Welnu, dat dolven wij niet. Henk bood namelijk aan om met ons mee te gaan. Dat werd een belevenis.

De autoverkoper kreeg alle hoeken van de kamer te zien. Op een beleefde manier, dat wel, maar hij zag die hoeken wel. Henk had namelijk een lampje meegenomen. En speurde daarmee onder de motorkap, op zoek naar afwijkende plekjes of defecte onderdelen. Die waren er. De verkoper werd wit om de neus, telkens ging de verkoopprijs iets naar beneden. Want dat konden we ook aan Henk overlaten, het onderhandelen. Kort en goed: wij waren zeer ingenomen met deze deal.  


Een praatje met de klanten

Ik breng mijn auto voor een kleine beurt. Hij begroet je. Op zijn gemak begint hij aan de klus, je kunt gewoon wachten en een kopje koffie drinken. Ondertussen arriveren andere klanten. Ook met hen maakt hij eerst even een praatje. Nooit paniek, heel ontspannen allemaal.

Ik vraag me af hoe dat moet als hij er ooit mee ophoudt.


Paul Strijp, 21 december 2015

zondag 16 augustus 2015

Chiel Simons, gouwe pik die het goedmaakt met een gebakje



Als Chiel zegt dat hij maandagochtend om acht uur je huis komt schilderen, dan doet hij dat. Dat lijkt vanzelfsprekend, maar dat is niet zo”, aldus één van zijn zakelijke relaties. En Chiel heeft net als zijn vader een sterk rechtvaardigheidsgevoel. “Aan Chiel kun je je portemonnee zo meegeven, hij is voor 100.000% te vertrouwen”. Als de zaken niet volgens afspraak worden uitgevoerd, dan wordt hij woest. Dan kookt hij van binnen. Maar hij uit die woede niet. Chiel is géén prater. Zoals zijn vader dat ook niet was. Als het ging om de trots voor zijn zoon, was het enige wat hij zei: “Je doet het goed, jongen”.


Chiel Simons. Jarenlang stond ik met hem langs de zijlijn. Te kijken naar en meestal te genieten van het voetbal van onze zonen. Buiten dat voetbal hadden we niet zo heel veel contact, daarvoor waren onze werelden te verschillend. Hij directeur van een Amsterdams schildersbedrijf, ik ambtenaar. Maar ik voelde wel altijd sympathie voor hem. Toen zijn vriendin Saskia mij onlangs vroeg of ik ter gelegenheid van zijn vijftigste verjaardag een boekje over hem en zijn bedrijf wilde schrijven, aarzelde ik geen moment. Ik sprak met familieleden, personeel en klanten van Chiel. Dit portret is aan dat boekje ontleend.



 




Een man die zeer geliefd wordt. Door zijn familie, door zijn personeel, door zijn klanten. Gelukkig heeft hij ook zijn nukkigheden, anders zou hij al tijdens zijn leven heilig verklaard worden. Laten we snel zo'n nukkigheid bij de kop nemen.

Láát hem nu maar

Zijn ochtendhumeur. Dat is legendarisch. Daar lijdt Chiel aan, daar is iedereen het over eens. Is tijdens de vroege uren snel op zijn pikkie getrapt. Kort lontje. Zijn gezicht spreekt dan boekdelen.
“Als schilders kijken wij elkaar aan en dan weten we: je kunt nu beter niets aan hem vragen. Dat komt later wel”.

Maar het is net alsof de mensen om hem heen Chiel verontschuldigen voor deze karaktertrek. Dat ochtendhumeur, Chiel kan er zelf ook niets aan doen, hij hééft het ook druk, láát hem nu maar.

Maar waar heeft de beste man het dan zo druk mee? Met regelwerk. Een timmerman, een loodgieter, een elektricien, iemand voor de vloerbedekking. Er is altijd wel wat. Het schuiven met personeel als twee schilders ziek zijn. Het inplannen van kleine klusjes zoals een trappenhuis bij slecht weer. En natuurlijk het binnenhalen van het werk. Chiel heeft alles in zijn hoofd. Is 7 x 24 uur met het werk bezig. Dat zie je soms aan hem. Dan ontgaat hem wel eens wat, is hij er niet helemaal bij.

 
Zijn eerste jaren

Chiel hoefde niet in dienst. Hoewel hij de vrije keuze had, besloot hij de schildersopleiding in Utrecht te gaan volgen. De Nimeto. Binnen de familie was het vanzelfsprekend dat Chiel in het bedrijf van zijn vader zou gaan werken. Daar werd niet over gesproken, dat ging gewoon zo. Zijn vader was er blij mee. Dat was midden jaren tachtig, de crisisjaren. Die hebben een grote invloed op Chiel gehad. Die jaren hebben hem gevormd.


Chiel ontwikkelde zich razendsnel. Tot een slimme en bescheiden zakenman die een nieuwe dimensie aan het bedrijf toevoegde. Het bedrijf bloeide op. Hij professionaliseerde en bracht focus aan. Het resultaat van die persoonlijke ontwikkeling is dat Chiel, ondanks een paar moeilijke jaren door ziekte, een gezond en stabiel bedrijf leidt. Een bedrijf met positieve financiële resultaten. Een bedrijf ook dat, in tegenstelling tot veel andere, de recente crisisjaren heeft overleefd.


Een lieve versus een zakelijke ondernemer

Tussen Chiel en zijn vader heerste soms strijd. Beide mannen dachten niet altijd hetzelfde over de manier waarop iets moest worden aangepakt. Dan waren de spanningen voelbaar. “Pa, dat heb ik net toch al tegen je gezegd”, liet Chiel zich dan ontvallen. Chiel en zijn vader leken op elkaar. De manier van lopen bijvoorbeeld. En allebei geen bluffer.

Toch waren er ook verschillen. Vader Simons was extraverter, zijn zoon wat melancholischer en serieuzer. Die zal zijn omgeving niet snel in schaterlachen doen uitbarsten. Chiel zou ook nooit buiten op een stoeltje een praatje maken met de voorbijgangers. Hij is zakelijker dan zijn vader, voor hem moet een klus profijt opleveren. Als zijn vader je aardig vond, rekende hij een zacht prijsje. Dat zou Chiel nooit doen. Zijn vader was een lieve ondernemer.



Alle schroefjes naar één kant


Chiel en zijn vader hielden van elkaar. Een liefde van twee kanten. Onvoorwaardelijk. Wie goed keek, zag dat. Aan hun wederzijdse bejegening, aan hun respect. Chiel bleef zijn vader ondersteunen, ook na zijn pensioen. Je kon het ook horen aan hun woorden, bijvoorbeeld tijdens de gesprekken over de overdracht van het bedrijf. Maar beide mannen spraken die liefde niet direct uit. Eerst tijdens zijn afscheidsspeech bij de uitvaart van zijn vader, in de zomer van 2012, vond Chiel woorden om die liefde te laten blijken.

“Pap, ik heb veel van je geleerd. Je hebt me geleerd om in het leven niet afhankelijk te zijn. Van de banken bijvoorbeeld.”

Bij het sluiten van de kist liet hij alle schroefjes naar één kant wijzen. Zo zou zijn vader, een perfectionist pur sang, het ook gedaan hebben.

 
Een topbaas

"Chiel is een topbaas", hoor je uit de mond van de één. Een ander benadrukt dat hij Chiel niet echt als een baas ziet. Eerder een jongen onder de jongens.
 

Als hij er nu mee ophoudt, kap ik er ook mee

Chiel geeft zijn schilders de tijd, zit niet achter hun vodden aan. “Je moet …” zal je niet vaak uit zijn mond horen. Maar een enkele keer vraagt hij toch: “Wanneer kan ik die steiger bij jullie weghalen?”. Soms is er ook wel eens een misverstand. “Ik kan tegen jou ook niets zeggen”, reageert Chiel dan kortaf. Maar als hij dan ziet dat zo’n reactie tot pijn in de buik van de ander leidt, heeft hij al gauw spijt. Is dan niet te beroerd om zijn excuses aan te bieden. Meldt zich altijd om een kwestie uit te praten. Met een gebakje erbij, dat neemt hij dan mee. Chiel is gewoon een gouwe pik.


Ken niet

Ook maakt hij wel eens een foutje. Zoals bij een pand dat in de grondverf en de lak stond. “Is die kleur niet te roze?”, vroegen de schilders zich af. Wat bleek? Chiel had de verkeerde verf besteld. Hij had zich tien nummers vergist. “Ken niet”, is dan zijn eerste reactie, gevolgd door een diepe zucht. Hij moet immers opnieuw gaan onderhandelen met de klant. “Ik weet echt niet of dit wel aan mij ligt”, laat hij dan ook nog weten. Om dit na enige tijd te laten volgen door: “Ok, ik neem de schuld wel op me”. Het pand wordt dan overgeschilderd.

De zorg voor zijn personeel heeft Chiel van zijn vader. Volgens sommigen is hij te goed, te lief voor zijn personeel. Maar als het moet, is hij streng. Als een project te lang duurt bijvoorbeeld. “Jongens, het is mooi geweest”, zegt hij dan. Maar bovenal is Chiels motto toch:

Het gaat goed met mij, ik wil dat het ook met jullie goed gaat.

En dus geeft hij zijn mensen met hun verjaardag een staatslot, met Pasen chocolade, met Sinterklaas een banketstaaf en met de kerst een pakket, een envelop en een brood van zeer goede kwaliteit. Oók tijdens de crisis. Dat zie je bij andere bedrijven niet, benadrukken zijn schilders die ook elders hebben gewerkt. Eén van de schilders bekent het jammer te vinden dat hij niet twintig jaar eerder bij hem in dienst is getreden.

 
Kan ik je helpen?

Klanten waarderen zijn diplomatie. Chiel regelt, Chiel masseert, Chiel is soepel en flegmatiek, Chiel zorgt dat dingen voor elkaar komen. Hij zit er bovenop. Heeft de gogme van het vak. Ont-zorgt zijn klanten.




Ik heb bij Chiel nooit het gevoel gehad: schiet nou eens op, man. Je kunt hem altijd bellen, is altijd beschikbaar.

Binnen een paar dagen heb je een afspraak. Bij trouwe en jarenlange klanten geeft hij dan een indicatie, géén offerte. Dat is veelzeggend, dat tekent het wederzijds vertrouwen. En wat heel bijzonder is: als een klant ziek is, zoekt hij ook het contact. Springt in de bres en toont zich van zijn menselijke kant. "Kan ik je helpen?". Zijn klanten zijn dol op hem, lopen met hem weg.



Een gevoelsmens, maar standvastig


Soms moet hij herinneringen naar klanten sturen. Meestal strijkt hij over zijn hart. “Akkoord, die betaling komt wel”, zegt hij dan. Maar zijn gevoel laat hem nooit in de steek. Zoals die twee keer in zijn loopbaan dat hij een deurwaarder moest inzetten, dat voelde hij gewoon aankomen.


Chiel is standvastig. Vooral met zijn prijzen. Vergeleken met de concurrentie eindigt hij prijstechnisch vaak in het midden of aan de bovenkant. Concessies doet hij niet. Toch krijgt hij vaak een opdracht. Dat komt door die gunfactor. En als hij een klant eenmaal binnen heeft, dan houdt hij die vaak vast. Lang vast.


“Ik heb nooit de behoefte gehad om een offerte bij een ander bedrijf te vragen”.


Geen anekdotes

Die klanten hebben ook niet veel anekdotes te vertellen. Je voelt de schaamte: sorry, maar er is echt niets grappigs. Zoals ook niemand zich een vervelende ervaring of iets rottigs weet te herinneren. Simons is gewoon een degelijk en betrouwbaar bedrijf.


Méér Chielen


"Eigenlijk moeten er gewoon méér Chielen in dit leven zijn”
 
“Er is geen fijner mens dan Chiel. Als iedereen zo zou zijn, dan was het leven een stuk prettiger”.


Paul Strijp, 9 augustus 2015


 

 


maandag 1 juni 2015

Tjeerd Kampstra, directeur en anti-directeur


 
Nooit eerder werkte ik zo lang voor één baas. Bijna negen jaar. De aankondiging van zijn vertrek voelde alsof de fundamenten onder mijn professionele bestaan even wegvielen. Alsof je er even helemaal alléén voor stond. Met dat vertrek werd een tijdperk afgesloten. Voor de organisatie als geheel en voor mij persoonlijk. Tjeerd Kampstra, voormalig directeur Beleid van de provincie Noord-Holland.

 
Van enige afstand zou je hem niet voor een directeur aanzien. Geen strak pak, slechts zelden een stropdas. In plaats daarvan een kort jack. En op vrijdag een spijkerbroek. In de pauze een sigaretje ergens buiten het gebouw. Ondertussen zaken regelend met passerende medewerkers. Met een driesterren restaurant doe je hem geen plezier, het liefst gaat hij naar een gezellig eetcafé. En in de nachtelijke uren kijkt hij Amerikaanse honkbalwedstrijden. Voor het oog was Tjeerd Kampstra de vleesgeworden anti-directeur. Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg. Een broertje dood aan mensen met een dikke nek. Geen flitsende optredens tijdens congressen of symposia. Maar mensen die hem kenden en met hem werkten, wisten één ding maar al te goed: Tjeerd is de baas.

 
Besluiten, beheersen, bevechten en beschermen

Wat maakte Tjeerd de baas? Als geen ander durfde hij besluiten te nemen. Dat deed hij door te luisteren. Bij een lastig dossier riep hij alle betrokkenen om tafel. Zelf zat hij aan het hoofd. Altijd. Hij hield dan een rondje, iedereen mocht zijn zegje doen. Bij onduidelijkheden of onnavolgbare redeneringen stelde hij een vraag. Slechts één, daar had hij genoeg aan. Maar dat was dan wel een dodelijke vraag. En aan het einde trok hij zijn conclusies en nam een besluit. Dat besluit gaf duidelijkheid en rust. Die gesprekken verliepen niet altijd zachtzinnig, die gingen soms van dik hout. Er vielen ook wel eens spaanders. Tjeerd regeerde. Tjeerd beheerste.
 

“De staatssecretaris van EZ wil een natuurtop houden, Tjeerd”.

“Geen sprake van. Het natuurbeleid is gedecentraliseerd naar de provincies. Die top gaan wij als provincie Noord-Holland boycotten”.
 

 
"Tjeerd, het rijk wil die financiële middelen nog steeds niet overmaken. Wij stellen bestuurlijk overleg voor”.

“Niks bestuurlijk overleg. Het heeft allemaal lang genoeg geduurd. Wij stappen naar de rechter.”

 
Stevige taal. Ik schrok daar wel eens van. En hoewel de soep meestal niet zo heet werd gegeten, zijn deze uitlatingen kenmerkend voor de man. Tjeerd was niet bang. Niet bang voor het conflict en niet bang voor de strijd. Daarmee was hij wat ik niet was. En met mij vele andere collega’s. In provincieland, toch gedomineerd door een conflict-mijdende en een op overleg gerichte cultuur, was hij een atypische verschijning.


Tjeerd was een teambuilder.  Vooral met en in zijn MT.  Hij hamerde op gezamenlijke verantwoordelijkheid, het elkaar steunen en elkaar sterker maken. Bijeenkomsten onder zijn leiding liepen nooit uit de hand, in een team met Tjeerd aan het hoofd vond nooit muiterij plaats.  Dat kwam omdat hij zijn team vertrouwen gaf. Als hij eenmaal voor je gekozen had, dan stond hij voor je. Beschermde je. Hij speelde de wedstrijd met een vaste formatie en deed mij aan Bert van Marwijk denken. Die liet als coach van het Nederlands elftal zijn spelers ook na een wat mindere wedstrijd gewoon in de basis staan. En onderscheidde zich daarmee van Marco van Basten, die als coach van Ajax in twee seizoenen negentig spelers versleet. Tjeerd versleet zijn mensen niet.

 
Sterk intern, zwak extern profiel

Wat je hem zelden of nooit zag doen, was in een overleg met externe partijen op zoek gaan naar een oplossing voor een probleem. Samen met andere directeuren met de benen op tafel, onderzoeken of een deal gesloten kon worden: het hoorde gewoon niet bij hem. De Metropoolregio Amsterdam en het Interprovinciaal Overleg waren niet zijn speelvelden. De achtergrond daarvan heb ik nooit gekend. Misschien lag die wel in zijn overtuiging dat maatschappelijke problemen het best door schaalvergroting en zeker niet door eindeloos gepolder aangepakt kunnen worden. Al die havenbedrijven, al die groenorganisaties: fuseren! Legendarisch is zijn pleidooi voor een trust naar het voorbeeld van de National Trust in Engeland. Dit dossier bracht ons niet nader tot elkaar, maar hij weet nog steeds zeker dat die trust er ooit zal komen. En hij zal er nog zijn bijdrage aan gaan leveren, reken maar!

Het resultaat was een opvallende asymmetrie. De meeste ambtelijke directeuren die ik in de loop der jaren gezien heb, ontlenen hun interne machtspositie aan hun externe draagvlak. Bij Tjeerd werkte dat zo niet. Over veel extern draagvlak beschikte hij niet en toch was zijn interne positie ijzersterk. Jarenlang was hij soeverein op de gebieden personeel, organisatie en financiën. Hij doorzag de begroting als geen ander, bepaalde de bezetting op sleutelposities en zette de koers uit die de organisatie lange tijd heeft gevaren. Het ontwerp daarvoor leverde hij bij de reorganisatie van 2005.

 
De reorganisatie, opus magnum

Tjeerd was architect en uitvoerder van een –voor de publieke sector in Nederland- ongekende reorganisatie. Een kunstje dat nog nooit eerder vertoond was. De zachte cultuurtrajecten van de provincie leverden voor zijn gevoel te weinig resultaat. Dat moest maar eens afgelopen zijn. Wat volgde, was een reorganisatie waarbij velen hun baan verloren. Ondanks een ruimhartig sociaal plan kreeg de provincie veel kritiek te verduren. Die leek hem niet te deren. Rechte knieën houden was zijn motto. Wat de reorganisatie ècht met hem gedaan heeft, weet ik niet. Maar voor het oog onverschrokken brak hij de oude organisatie af en bouwde een nieuwe op. De reorganisatie was van hem, daar moest je niet aan komen. Geruchtmakend was zijn woede-uitval tijdens een busreis naar Brussel. In de bus deed het verhaal de ronde dat een medewerker zich publiekelijk negatief over de reorganisatie had uitgelaten. De leidinggevende van die medewerker kreeg in niets mis te verstane woorden een dienstopdracht. Die leidinggevende was ik.

Ondanks alle kritiek kreeg hij later publiekelijk zijn credits. Tijdens een aan de reorganisatie van de provincie Noord-Holland gewijd symposium kwalificeerde Roel Bekker, hoogleraar en voormalig topambtenaar bij de rijksdienst, deze mega-operatie als een huzarenstukje. Tjeerd beleefde zijn finest hour. Ik zat naast hem, ergens op de achterste rij. Zelfs op dit symposium, een symposium over zijn reorganisatie,  liet hij anderen het woord voeren en verkoos hij een onzichtbare positie. Daarin voelde hij zich het best. Hier ontving hij de ultieme waardering. Hij genoot, maar deed zijn best om dat niet te laten blijken.

 
Zijn school
In de jaren die volgden, bouwde hij niet minder dan een school. Geen school in de letterlijke of fysieke zin van het woord. Wel een school in de betekenis van een set aan uitgangspunten voor het ambtelijk handelen en voor politiek-ambtelijke verhoudingen. Die uitgangspunten waren onwrikbaar.  Het belangrijkste was zonder meer: als ambtenaren werken wij voor het gehele college en niet slechts voor één gedeputeerde. Het overtreden van die regel was een doodzonde. Dat gold ook voor het kritiekloos uitvoeren van wat het college vroeg. De regel luidde: Wij voeren het collegeakkoord loyaal uit, maar wij adviseren wel kritisch. Die regel is in de publieke sector zeker geen gemeengoed, ik heb ook directeuren meegemaakt die het serviel uitvoeren van wat een bestuurder vraagt tot hoogste goed verklaarden. Die dualiteit -loyaal doch kritisch- voerde hij consequent door. Hij positioneerde de ambtelijke organisatie daarmee scherp. Hield onwenselijke bestuurlijke bemoeienis met de organisatie buiten de deur. Personele zaken bijvoorbeeld, die waren niet voor bestuurders bedoeld. Ook dat heb ik anders meegemaakt. In de geruchtmakende affaire-Hooijmaijers hield hij zijn organisatie moreel zuiver en weerstond de bestuurlijke druk om van regels af te wijken.

Een juweeltje uit zijn school was de tweejaarlijkse p-dag. Een door hemzelf bedacht instituut. P-dag staat voor: een management-dag over personele ontwikkelingen. In essentie kwamen die er op neer dat hij met zijn managementteam problemen of stagnatie vóór probeerde te zijn. Niet wachten tot een medewerker is uitgekeken op een klus, maar als management vroegtijdig met hem of haar in gesprek gaan. Het resultaat was er naar. Het ziekteverzuim van zijn organisatie schommelde regelmatig op of onder de 2%. Een even groot compliment als dat van Roel Bekker.

 
Groot groen hart

Een bijzondere band had hij met alles wat met groen en natuur te maken had. Hij kon genieten van een bezoek aan de Oostvaarders-plassen.  Laarzen aan, een verrekijker in de hand. Toonde zich dan een geboren docent. Ook genoot hij wanneer hij hoorde dat we ergens een visarend hadden gezien. Grote glimlach. Dat was toch maar mooi, een visarend.

Maar zo groot als zijn liefde voor de natuur was, zo moeizaam was zijn relatie tot de groene instituties. Die relatie werd gekenmerkt door diep wantrouwen. Van dat wantrouwen had ik last, ik kon dat niet plaatsen. Eerst in de loop der jaren werd mij langzaam duidelijk waar dat op gebaseerd was. Soms was dat een ongelukkige publieke uitlating van een natuurorganisatie, die kon hij jarenlang met zich meedragen. Hij toonde zich dan rancuneus. Heel basaal was zijn afkeer van –wat hij zag als- de subsidieafhankelijkheid van de natuurorganisaties. Subsidiejunks zijn het, schampte hij dan. Hier botsten wij regelmatig. Mijn pleidooi voor een dialoog met de natuurorganisaties vond weinig weerklank. Als je eenmaal zijn vertrouwen verloren hebt, verdien je dat maar heel moeilijk terug. Hij vermeed de natuurorganisaties dan ook, zocht hen niet op. En werd daarmee voor hen een onzichtbare en wat mythische figuur.

 
Groot sociaal hart

Soms zag je hem worstelen. Hij had grote moeite met bepaalde maatschappelijke en politieke ontwikkelingen. Als ambtenaar liep zijn sociaaldemocratisch hart hem dan voor de voeten. De opkomst van de PVV bijvoorbeeld, halverwege de jaren 2000. Je zag hem denken: “Verfoeilijk, waar gaat onze samenleving heen? Een college met die partij ga ik niet meemaken”. Maar op hetzelfde moment realiseerde hij zich dat hij als ambtenaar elk college had te dienen.  Ook een college met een populistische inslag. Die loyaliteit voelde hij ook. Dat college kwam er overigens niet.

Ook kon hij zich wel eens negatief uitlaten over bouwplannen met veel dure koopwoningen. Die gaan wij toch niet goedkeuren?, riep hij dan, terwijl het type woningen voor de provincie geen beoordelingsgrond vormt. Bij de aanslagen op de redactie van Charlie Hebdo in Parijs, was hij van de kaart. Met ferme tred zag ik hem naar de Grote Markt in Haarlem lopen om te demonstreren. Hij kon het zijn medewerkers natuurlijk niet voorschrijven, maar diep in zijn hart was hij van mening dat iedereen dat zou moeten doen.

 
De laatste jaren

Soms gedreven, soms moe. Zijn laatste jaren bij de provincie waren wisselend. Na een afwezigheid van twee maanden vanwege medische redenen, was hij er plots weer, blakend van energie. Hij had er weer zin, zat nergens mee. Maar op andere momenten zat hij er doorheen. Vooral de toenemende regeldruk maakte hem ongelukkig. Red tape noemde hij dat. Hij deed zijn best om die afnemende motivatie niet te laten blijken, maar die laatste jaren gingen hem steeds moeilijker af. De echte dynamiek was er niet meer. In zijn hart zal hij terugverlangd hebben naar zijn reorganisatie van tien jaar eerder.

Een icoon verdwijnt. Tjeerd nam besluiten, beheerste, bevocht en beschermde. Bood zijn managers en medewerkers stabiliteit en veiligheid. Dat was de directeur in hem. Hij verdient een hoofdstuk in een handboek voor elementaire bestuurskunde. Zijn school bleef buiten de provincie onopgemerkt, daarvoor verkeerde hij te veel in de luwte. Als anti-directeur zal hij er niet wakker van liggen. Op waardering zit hij niet te wachten. Hij heeft gewoon zijn werk gedaan en daar altijd een goed salaris voor gekregen.

Paul Strijp, 22 april 2015

maandag 8 december 2014

Casper Hartman, reporter aan het front



Onlangs nog gaf hij een feestje. Ter gelegenheid van zijn 75e verjaardag. Tot mijn genoegen mocht ik samen met iemand anders meewerken aan de voorbereiding en de organisatie. We kregen de vrije hand. Met dien verstande dat hij drie dingen absoluut niet wilde. Drie uitsluitende voorwaarden. Eén: geen gedoe vóóraf en geen verplichtingen voor zijn gasten. Twee: hij wilde beslist niet toegezongen worden. En hij wilde al helemaal niet aan zijn 75e verjaardag herinnerd worden. Drie voorwaarden die de man typeren. Alles moet een beetje losjes, zelf niet in het middelpunt en de ouderdom schuift hij liever nog even voor zich uit.




Passie voor schrijven

Casper Hartman. Voormalig ondernemer in het publieke domein. Ik ken hem al een jaar of twintig. Ons eerste contact kan ik me al niet meer herinneren. Hij was directeur van een opleidingsinstituut waar ik een lange en intensieve cursus had gevolgd. Na afloop daarvan vonden we elkaar in een gemeenschappelijke passie: schrijven. Hij gaf mij een opdracht voor een boekje over opdrachtgeven en opdrachtnemen. Daarmee was Casper zijn tijd ver vooruit. Hij liet mij mijn gang gaan. Ik herinner me nog zijn reactie op een eerste concept. Dat was aardig, maar toch niet wat hij voor ogen had. Op een plezierige manier bood hij aan om samen met een aantal collega's mee te schrijven. Het boekje werd een succes, beleefde een aantal herdrukken en wordt nog steeds verkocht. Dat succes interesseert hem niet, hij kent die verkoopcijfers niet eens.


Bril

In dat boekje figureert een bril als symbool. Een bril om, zoals hij het zelf omschreef, de VER-gezichten in de relatie tussen opdrachtgever en opdrachtnemer te kunnen zien. Pas jaren later realiseerde ik me dat dat symbool meer over Casper zei dan over het onderwerp van het boekje. Casper, zelf niet brildragend, zet bij het schrijven altijd een bril op om de werkelijkheid net even anders te kunnen bekijken.


Van iets wegkijken

Jaren later, in 2008, kreeg ik een boek van hem cadeau voor mijn verjaardag. Nachtoog van Erik Oger. Over schuine wegen van de filosofie. Wéér dat oog, wéér dat zien. Met zinnen waar Casper zelf zijn vingers bij afgelikt moet hebben. "Van iets wegkijken zonder het uit het oog te verliezen. (...) We moeten ons behelpen met ons nachtoog, met een kijken vanuit de hoeken." Voor de gewone stervelingen onder ons: soms zie je iets beter wanneer je er niet recht naar kijkt, maar net ernaast. Dat is wat Casper doet en anderen leert.




Beheerste anarchist

De afgelopen tien jaar liet hij dat zien in zijn boekjes over frontlijnsturing. Boekjes waarin hij onverholen zijn sympathie etaleert voor mensen die in de wijken in grote steden in de vuurlinie, aan het front, werken. Buurtwerkers dus. Die mensen hebben volgens hem recht op een eigen ruimte om beslissingen te nemen. Zij moeten zich niet al te veel gelegen laten liggen aan de logica van de bureaucratie. Die verplicht hen om voor elke beslissing toestemming van hogerhand te vragen. Op een subtiele manier laat hij zijn weerzin tegen die bureaucratie blijken. Proef die gram in de volgende passages die hij, soms met collega Pieter Tops, vanuit zijn nachtoog optekent.

"Het is alsof de realiteit aan de frontlijn wegebt in abstracte ordeningen en procedures, die geleidelijk uit het zicht verdwijnen".

"Ik hoor de vrees uitspreken dat de balans tussen 'guerilla' en structuur naar de structuur is doorgeslagen."

"Er is toch een soort vanzelfsprekendheid dat er eerst systemen, structuren, of een beleid moeten worden ontworpen voordat er goed gehandeld kan worden. Dat het andersom niet alleen kan, maar vaak ook beter werkt, is lastig aanvaard te krijgen".


Eigenlijk is Casper een beheerste anarchist. Ruimte en wanorde binnen een heel los kader, binnen een sfeer. Net zoals op zijn feestje. Een plezierige non-conformist, zo zouden we hem ook kunnen noemen. Je zou dat anarchistische niet snel vermoeden, want hij is zo vriendelijk. Maar dat verlangen naar prettige chaos kenmerkt hem ten diepste.


De wereld als een frontlinie

In die wijken loopt hij wat rond. Net als op zijn feestje ook hier niet in het middelpunt, maar gewoon, als een reporter. In die rol voelt hij zich het meest comfortabel. Waarnemen, impressies noteren, beetje interviewen. En daarna lekker een boekie schrijven. Ik mocht regelmatig zijn concepten van commentaar voorzien. In de loop der jaren zag ik hoe frontlijnsturing een passie voor hem werd, een manier van kijken. Hij ziet de wereld als een permanente frontlinie, als een veld waar continu strijd wordt geleverd. Waar voortdurend conflicten woeden tussen bureaucratie en veldwerkers. Zijn directe woonomgeving bijvoorbeeld. Met lede ogen zag hij hoe buren zich als frontwerkers inspanden om die omgeving te verbeteren, maar het onderspit delfden tegen de machtige machinerie van een grote gemeente.


Leesclub zonder boek

De laatste jaren ontmoeten we elkaar regelmatig in een leesclub. Die bezoekt hij altijd zonder het te bespreken boek mee te nemen. Hij heeft het verhaal in zijn hoofd. Casper schuift aan en luistert. Koppelt de inhoud van het boek aan iets wat hij elders heeft gezien. En verbindt dan plotsklaps dat boek aan de inhoud van de vier boeken die we hiervoor gelezen en besproken hebben. Dan wordt het even stil in de club. Zoveel samenhang, dat ziet alleen hij.

Tot slot, die ouderdom. Die wil hij dus nog even niet onder ogen zien. Daarin is hij effectief. Casper oogt niet als een 75-jarige. Lichamelijk nog fit, geestelijk nog scherp. Ik kan me niet voorstellen dat dat bij zijn 80e verjaardag anders is. Die fitte en scherpe jaren zijn hem gegund.


Paul Strijp, 7 december 2014